Samengesteld door Sander van Bladel en Helen Stroosma

De Museumstraat met rechts het toegangshek tot het Dordrechts Museum, circa 1930

Amsterdam heeft al een paar decennia het Rijksmuseum als in 1830 in Utrecht het Centraal Museum van start gaat. Dordrecht kan vervolgens als oudste stad van Holland niet achterblijven. Opgericht in 1842 behoort het Dordrechts Museum nog altijd tot één van de oudste musea van Nederland.

 

 

Na eerdere webtentoonstellingen over de beide wereldoorlogen en over de laatste grote cholera-epidemie besteedt het Regionaal Archief Dordrecht 175 jaar na de oprichting aandacht aan de geschiedenis van het Dordrechts Museum. Beide zijn immers anno 2018, samen met Huis Van Gijn en Het Hof van Nederland, onderdeel van dezelfde gemeentelijke organisatie voor kunst, cultuur en historie. Natuurlijk is er aandacht voor de collectie, maar in deze webtentoonstelling staat die niet centraal. Minder bekende foto’s zijn te zien en opmerkelijke verhalen te lezen. Een veelheid aan onderwerpen krijgt aandacht.

 

De Boterbeurs in de Wijnstraat als Dordrechts Museum, 1898

Het begin

In mei 1842 sturen vijf Dordtse notabelen een circulaire aan hun stadsgenoten. Zij roepen op deel te nemen aan de stichting van een schilderijenmuseum. Men wil vooral werk van Dordtse kunstenaars gaan verzamelen. De oproep heeft succes en een half jaar later wordt op 26 november de Vereniging Dordrechts Museum opgericht. De leden brengen samen met het gemeentebestuur een startkapitaal bijeen. De gemeente stelt de bovenzaal van de Boterbeurs in de Wijnstraat ter beschikking als tentoonstellingsruimte. Na een bij tijden onstuimige periode volgt zo’n 60 jaar later de verhuizing naar de locatie waar het museum nog steeds is gevestigd.

 

De oprichters

De ondertekenaars van de circulaire zijn zoals men kan verwachten mannen met enig aanzien:

Jonkheer J.C. Jantzon van Erffrenten van Capelle, heer van Capelle, Hoogeveen en Briels Nieuwland (Breda, 1769-Dordrecht, 1859) is politicus en kunstverzamelaar. Hij trouwt in 1798 met Cornelia Bongers (1765-1839) uit welk huwelijk twee kinderen geboren worden. Zijn zoon Jacob Nicolaas Joan Jantzon van Erffrenten (1801-1884) is ook een van de oprichters.

Jonkheer Jacob Nicolaas Joan Jantzon van Erffrenten, heer van Babyloniënbroek, Capelle, Hoogeveen en Briels Nieuwland (1801-1884), lid Raad van Dordrecht, lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, dijkgraaf en heemraad is eveneens kunstverzamelaar. Jacob Nicolaas Jantzon wordt in 1808 lid van de Raad van Dordrecht. Vanaf 1828 is hij wethouder en vanaf 1838 burgemeester.

Jonkheer Etienne de Court van Valkenswaard, (1784-1846) is een groot bewonderaar en verzamelaar van schilderkunst. Zijn collectie prenten, tekeningen en schilderijen wordt na zijn dood te Dordrecht geveild.

Pieter Blussé van Zuidland en Velgersdijk (1786-1869) is boekhandelaar en uitgever. Hij is lid van de Raad van Dordrecht.

Cornelis Gerardus ‘t Hooft, (1791-1871) is een verdienstelijk amateur tekenaar en kunstverzamelaar. Zijn fraaie collectie schilderijen, tekeningen, prenten en penningen wordt na zijn dood te Dordrecht geveild.

 

P. Blussé van Zuidland, een van de oprichters de Vereniging Dordrechts Museum, circa 1880

Herman de Kat, bestuurslid van het Dordrechts Museum in de beginperiode

Een frisse wind

De komst van een nieuw bestuurslid, Herman de Kat, heer van Oost- en West-Barendrecht en Carnisse, zal van grote betekenis blijken te zijn voor het museum. Volgens hem is het teruglopend ledental niet alleen te wijten aan de beperkte openingstijden, maar ook aan de beperking die de stichters zich hebben opgelegd, namelijk dat alleen werk van Dordtse kunstenaars zal worden verzameld. Dit laatste wordt met instemming van de leden veranderd.

Herman de Kat (Dordrecht, 1784-1865) is een Dordts bankier en kunstverzamelaar. Hij is lid van de door zijn vader opgerichte firma Otto de Kat & Zn., kassiers en commissionairs in effecten en is met zijn schoonzoon Jan Rudolph van der Linden (1809-1858) mede-oprichter en lid van de firma De Kat & Van der Linden, kassiers en commissionairs te Dordrecht.

 

Kunstverzamelaar

De Kat bezit een eigen kunstkabinet dat op 31 mei 1855 met een bezoek vereerd wordt door koningin Sophie. De Kat komt in aanraking met de Dordtse schilders Ary Scheffer en A.J. Lamme. Als bestuurslid van het Dordrechts Museum zet hij zich in voor de oprichting van een Ary Scheffer-museum. Ook door zijn toedoen wordt in Dordrecht in 1862 een standbeeld voor Scheffer opgericht; hij is voorzitter van het comité dat de feestelijkheden voor de onthulling moet regelen, terwijl zijn zoon O.B. de Kat penningmeester van dat comité is. Het standbeeld wordt op 8 mei 1862 onthuld.

Na zijn overlijden worden De Kats kunstverzamelingen geveild. De kijkdagen voorafgaand aan de veiling van de schilderijenverzameling trekt in Dordrecht meer dan 1.000 bezoekers. Een aantal van De Kats schilderijen wordt door zijn erfgenamen geschonken aan het Dordrechts Museum, waaronder schilderijen, door A.J. Lamme geschilderd van het woonhuis van Ary Scheffer te Parijs en van zijn ateliers in Parijs en Argenteuil.

 

De oude zaal van het Dordrechts Museum in de Boterbeurs, 1904

De gebouwen

In de 175 jaar is het Dordrechts Museum in twee gebouwen gehuisvest: de voormalige Boterbeurs  aan de Wijnstraat en het voormalige Krankzinnigengesticht aan de Lindengracht, de latere Museumstraat.

Personeel en bewoners: heren eerste en tweede klasse, 1882

Stads Krankzinnig- en Beterhuis

Aan het einde van de zestiende eeuw krijgen de gebouwen van het (voormalig) Agnietenklooster, gelegen tussen de Lindengracht en de Vest een nieuwe bestemming. Ruim anderhalve eeuw is het complex in gebruik als wees- en pesthuis. In 1761 wordt besloten het geheel te bestemmen als krankzinnigengesticht. In maart 1762 is de verbouwing voltooid, maar al eerder zijn de eerste patiënten, twee vrouwen die zich te buiten zijn gegaan aan gebruik van sterke drank, opgenomen.

De gebruikelijke gang van zaken is dat familieleden een verzoekschrift tot plaatsing indienen. Bij twijfel omtrent de krankzinnigheid consulteren de regenten een arts. De verpleging blijft in het begin beperkt tot voorkomende lichamelijke gebreken. Aan het gesticht is slechts een chirurg verbonden die tevens dienst doet als barbier. In 1804 wordt een eerste arts benoemd, in 1886 een tweede. Het verloop onder het huishoudelijk en geneeskundig personeel is zeer groot. Herhaaldelijk moeten bedienden worden berispt of zelfs ontslagen. Het gesticht beschikt over enkele tientallen ‘cellen’. Verder zijn er gemeenschappelijke ruimten en slaapzalen voor mannen en vrouwen. De werkzaamheden bestaan voor mannen uit onder andere touwpluizen en vlas hekelen en voor vrouwen uit huishoudelijke arbeid. Men ziet arbeid als een vorm van therapie. Er komen ook een timmerwerkplaats, smederij, drukkerij en andere werkruimten. De inrichting wordt voor diverse doeleinden gebruikt. Naast krankzinnigen en om wangedrag opgeslotenen komen er soms ook baldadige jongens en ‘onrustigen’ uit andere tehuizen terecht.

 

In de Bataafs-Franse tijd ontstaan er financiële moeilijkheden, en als er in 1841 een nieuwe Krankzinnigenwet van kracht is geworden, blijkt het Dordtse gesticht in vrijwel geen enkel opzicht aan de gestelde minimumeisen te voldoen. In een rapport spreekt men over ‘ongeschikte, en vele kleine sombere kamertjes met weinig licht, en schaarse verversching van lucht’. Het complex heeft wel verschillende tuinen, maar die zijn echter ‘zeer ondoelmatig verdeeld en versnipperd’. Er wordt tot een verbouwing besloten en er komt meer personeel. In 1858 wordt de oude kloosterkerk gesloopt en het naastgelegen huis veranderd in een ruimte voor ‘onrustige mannen’. De middeleeuwse muur langs de kloostergang wordt echter intact gelaten. Een andere herinnering aan het verleden, de uitgang van het pesthuis aan de Lindengracht, verdwijnt in 1861. Samen met drie belendende huizen moet deze plaats maken voor vier luxueuze vertrekken bestemd voor particuliere patiënten. Het bleekveld wordt getransformeerd tot wandelplaats. Ook de hortus botanicus moet wijken.

Twee bewoners en een geüniformeerd personeelslid voor de kamer van de geneesheer-directeur, 1882

Verpleegsters en bewoners: woelige vrouwen, 1882

Inmiddels is de tweede Krankzinnigenwet van kracht geworden en wederom blijkt dat het gesticht in geen enkel opzicht aan de nieuwe eisen voldoet. Vooral de ligging naast een petroleumpakhuis, danszaal en herberg en aan de openbare weg is een voortdurend onderwerp van kritiek. Het getier van de verpleegden is door voorbijgangers en omwonenden vaak goed hoorbaar. Geneesheer en inspecteurs zien geen heil meer in verbouwingen en dringen aan op sluiting. Tegenstellingen tussen het medisch en overig personeel escaleren vervolgens in de jaren 1895-1897. Op 6 juli 1898 is de liquidatie van de instelling een feit. De patiënten worden hersteld verklaard en ontslagen óf overgebracht naar inrichtingen buiten de stad. In de vrijgekomen gebouwen vestigt zich na verloop van tijd het Dordrechts Museum en in verband hiermee wordt de Lindengracht in 1907 omgedoopt in Museumstraat.

De achterzijde van het Dordrechts Museum met de Vest en Spuihaven, circa 1930

Het museum

De geschiedenis van het gebouw van het Dordrechts Museum is haast even interessant als de collectie rijk is, en het is een levende geschiedenis bovendien. Zo zijn er in de monumentale door stadsbouwmeester Itz ontworpen Boterbeurs recent duurzame lofts gecreëerd. Maar ook over het huidige gebouw aan de voormalige Lindengracht zijn boeiende verhalen te vertellen. De verbouwing in 2010 was natuurlijk niet de eerste. Bij de ingebruikname van het voormalig Agnietenklooster tot Krankzinnigengesticht hoefde er niet veel vertimmerd te worden.

 

Maar als (een deel van) het complex zo’n anderhalve eeuw later tot museum wordt bestemd volgen er vanzelfsprekend wel de nodige werkzaamheden. Ook in de 20ste eeuw maken de conservatoren en andere medewerkers in het museum zo nu en dan plaats voor bouwvakkers. Bijvoorbeeld als in de jaren zestig de laatste medegebruikers van het gebouw vertrekken. Als het exterieur van het museum wordt gefotografeerd is dat bijna zonder uitzondering vanaf de zijde van de Museumstraat. Toch wordt ook de achterkant van het gebouw, aan de Vestzijde een enkele keer op de gevoelige plaat vastgelegd. Leuk is ook de foto waarop de schoorsteenveger, die in het koude voorjaar van 1970 op het dak zijn werk doet, ons recht in de ogen aankijkt.

 

Schoorsteenveger P. Martinetti op het dak van het museum, maart 1970

De Lindengracht, juli 1905

Het Zuid-Afrikaans Museum

Na een onstuimige periode wordt in 1898 de liquidatie van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen voltooid. Voor de vrijgekomen gebouwen van de instelling aan de Lindengracht kan een andere bestemming worden gezocht. Vanaf 1904 zal het Dordrechts Museum er onderdak vinden. Twee jaar eerder wordt er in een gedeelte van het complex echter al een ander museum geopend.

In Zuid-Afrika lopen tegen het eind van de negentiende eeuw de spanningen tussen de Nederlandstalige Boeren en de Britten steeds verder op. Het komt tot een climax in de Tweede Boerenoorlog (1899-1902). Uiteindelijk trekt het Verenigd Koninkrijk aan het langste eind. De Boeren kunnen rekenen op sympathie en steun uit Nederland, ook als de strijd in Afrika op een ander vlak consequenties heeft.

 

Na het sluiten van de Parijse wereldtentoonstelling in 1900 gaan de Zuid-Afrikaanse land- en volkenkundige voorwerpen niet terug. Kunstverzamelaar Hidde Nijland slaagt er in deze collectie naar Dordrecht te halen. Na het nodige overleg wordt er een heus Zuid-Afrikaans Museum mee ingericht. Er wordt bij de opening onder andere samengewerkt met de vereniging ‘Vak en Kunst’. Die viert haar 15-jarig bestaan door in de tuin een Zuid-Afrikaanse nederzetting te bouwen. Het museum kan nog jaren op grote belangstelling rekenen.

 

De opening Zuid-Afrikaans Museum op 1 juli 1902

Oud-president M.T. Steyn (met baard) op bezoek in het Zuid-Afrikaans Museum, september 1904

Oud-president Steyn op bezoek

Marthinus Theunis Steyn wordt op 2 oktober 1857 geboren in Zuid-Afrika. Maar hij gaat naar het gymnasium in Deventer, en studeert daarna in Leiden en Londen. Na een carrière als jurist stelt hij zich kandidaat voor het presidentschap van de Oranje Vrijstaat. Van een vreemde heeft hij het niet, want zijn vader was al eerder politiek actief. Steyn junior wordt in februari 1896 met overweldigende meerderheid als zesde, en naar later zal blijken, laatste president van de boerenrepubliek gekozen.

Al voor de Tweede Boerenoorlog zoekt Steyn toenadering tot de Zuid-Afrikaanse Republiek (Transvaal). Dit bondgenootschap trekt samen op tegen de Britten, die er desondanks in slagen Vrijstaat-hoofdstad Bloemfontein in te nemen. Marthinus Steyn weet maar net op tijd te vluchten. En alhoewel hij geldt als een van de meest onverzettelijke boerenleiders neemt hij deel aan de vredesonderhandelingen die in april 1902 van start gaan.

 

Oud-president M.T. Steyn op bezoek in het Zuid-Afrikaans Museum, september 1904

Oud-president M.T. Steyn op bezoek in het Zuid-Afrikaans Museum, september 1904

Steyn wordt echter ziek en kan daardoor niet aanwezig zijn bij de ondertekening van de Vrede van Vereeniging. In juli vertrekt hij naar Europa, waar hij meer dan twee jaar zal blijven. Kort voor hij teruggaat gaat brengt hij met zijn vrouw een bezoek aan het Zuid-Afrikaans Museum in Dordrecht. Niet volledig hersteld wordt hij in Zuid-Afrika toch weer politiek actief. De staatsman en boerenleider sterft in 1916 terwijl hij een toespraak geeft in Bloemfontein.

 

Waarheid en vrede

Decennialang is de naam Waarheid en Vrede verbonden aan de vleugel van het Dordrechts Museum aan de Museumstraat. Deze kerkelijke (kies-)vereniging huurt voor haar activiteiten, vooral jeugdwerk, vanaf 1926 een gedeelte van het pand van de gemeente Dordrecht. Bij de huur is ook het gebruik van de inrijpoort en een stuk tuin inbegrepen. Na de sluiting van het Zuid-Afrikaans Museum zijn er eerder overigens al andere gebruikers; de Rijkslandbouwwinterschool, de Bond van Transportarbeiders en Commissie tot Ontwikkeling van Werklozen.

Ontruimd kleuterlokaal, 1975

De zolder boven de vleugel van Waarheid en Vrede, 1975

Als Waarheid en Vrede in de zomer van 1926 de huurder wordt, moet er wel eerst worden verbouwd. Op de eerste verdieping verdwijnen een aantal scheidingswanden. Terwijl een woning op de begane grond juist door een nieuwe scheidingswand van het voorportaal wordt afgezonderd. De ruimten van Waarheid en Vrede bestaan beneden uit een grote zaal en de bestuurskamer. Op de eerste verdieping zijn een zogenaamde oranje, blauwe, groene en grijze zaal gelegen. De vereniging heeft de zalen overigens niet alleen nodig voor eigen gebruik. Met toestemming van de gemeente komen er (in onderhuur) twee schoolklassen. Tot 1967 huurt Waarheid en Vrede de vleugel. Talloze keren wordt aan anderen tijdelijk onderdak verleend, vooral tijdens en net na de Tweede Wereldoorlog. Het bombardement van oktober 1944 maakt het gebouw echter voor alle huurders onbruikbaar. De wekelijkse godsdienstoefening en bijbellezingen kunnen, door het uitvallen van de elektriciteit, alleen nog maar bij fel maanlicht worden gehouden.

Na de oorlog keert de Julianaschool als onderhuurder nog even terug. Deze maakt daarna plaats voor enkele klassen van de Industrie- en huishoudschool. In de jaren 1956-1960 worden een paar lokalen vervolgens doorverhuurd aan de Bogermanschool. Als laatste school krijgt in 1960 de Christelijke UTS de beschikking over de vier leslokalen op de eerste verdieping. De grote zaal onder wordt overblijflokaal. Later worden de bestuurskamer en het gedeelte van de tuin als fietsenstalling in gebruik genomen.

Opslagruimte met schoolbord en schilderijen, augustus 1975

Opslag van lampenbollen, augustus 1975

Behalve voor de permanente ‘bewoners’ heeft het gebouw ook gediend als tijdelijke (vergader)ruimte voor andere kerkgenootschappen. De zolder is enige tijd het onderkomen van de Dordtse padvinders. Lang heeft het Dordrechts Museum dus niet de beschikking over dit gedeelte van het gebouw. Pas in 1970 komt er door het vertrek van de UTS ruimte vrij. Tijdelijk worden er schilderijen opgeslagen. Een jaar later besluit de gemeente de hele vleugel voor de vergroting van het museum te bestemmen.

 

Het museum in de Tweede Wereldoorlog

In 1942 viert het Dordrechts Museum het 100-jarig bestaan onder moeilijke omstandigheden. Het is al twee jaar oorlog en niemand weet wanneer er weer betere tijden gaan komen. Ondanks de situatie blijft het museum zo lang mogelijk open voor publiek. Wel worden uit angst voor het oorlogsgeweld de belangrijkste kunstwerken in schuilkelders ondergebracht. Begin 1940 zijn er wel plannen om onder het museum een grote kelder te maken. De ruimte moet echter dienen voor de vernieuwde cv-installatie, en wordt overigens pas na de oorlog gerealiseerd.

Bouwtekening van het Dordrechts Museum, 1939

De Scheffer-zaal, circa 1939

In deze jaren moeten ook de witte letters ‘MUSEUM’ herhalend op de achtergevel aan de Vest zijn geschilderd. Ze zijn nog steeds zichtbaar. Zo hoopt het museum duidelijk te maken dat het geen oorlogsdoel is. In de lokale kranten kunnen de Dordtenaren kennis nemen van de openingstijden. Tijdens de Kerstdagen kan men zelfs gratis naar binnen, alleen op Nieuwjaarsdag is het museum gesloten. Op 28 juni 1940 huldigt burgemeester Bleeker VDM-voorzitter Blussé van Oud-Alblas ter gelegenheid van zijn 25-jarig lidmaatschap van de vereniging.

Op 27 april 1942 vindt het eerste museumconcert plaats. Een initiatief georganiseerd door de VVV in samenwerking met museumdirecteur Six. De tentoonstelling dat jaar ter gelegenheid van het jubileum kan helaas niet de grote Aelbert Cuyp-tentoonstelling zijn waar eerst de gedachten naar uitgaan. Noodzakelijke bruiklenen uit Engeland kunnen door de oorlog hun weg naar Dordrecht niet vinden.

 

In plaats daarvan komt de tentoonstelling ‘Groeiend Dordt, de groei der Merwestad door de eeuwen heen’. Een veilig historisch onderwerp waar de directie zich geen buil aan kan vallen. Van juli tot september kunnen bezoekers dagelijks terecht. Het grote bombardement op Park Merwestein van 24 oktober 1944 kost het Dordrechts Museum zijn ruiten. Het museum blijft daarna gesloten, en kan pas in december 1947 weer worden heropend. Voor die tijd heeft een aantal Dordtse topstukken al kunnen schitteren in de heropeningstentoonstelling van het Rijksmuseum, ‘Weerzien der Meesters’. Daarna komt de collectie weer thuis in Dordrecht. De Bilderbeek-Lamaison-collectie die in 1951 zal worden opgenomen in het Dordrechts Museum wordt tijdens de oorlogsjaren ondergebracht in een pand aan de Wijnstraat. Delen van de eigen collectie van het museum vinden onderdak in zogenaamde kunstbunkers. Die waren te vinden in Paasloo (in het uiterste noorden van Overijssel) en onder de Sint Pietersberg bij Maastricht.

 

De opening van de tentoonstelling 'Groeiend Dordt', zomer 1942

De tuin van het Dordrechts Museum door Hans Petri, 1948

Genieten van de tuin

Wie het Dordrechts Museum bezoekt, loopt via de tuin met oude bomen naar het entree. Bij de laatste verbouwing is links een cafe-restaurant gekomen met een overdekt terras over de hele lengte van de linkervleugel met een fraai uitzicht op de tuin. Bij mooi weer vinden in de tuin allerlei activiteiten plaats, van recepties tot filmvoorstellingen.

 

Ook in de jaren zeventig wordt de tuin van het museum gebruikt. Er is slechts een eenvoudige koffieruimte maar met mooi weer kan de tuin wel gebruikt worden als terras en als plek voor feesten en concerten. Ook kunstprojecten weten de tuin te vinden. Zoals de wilgencirkel van Lucien den Arend.  Een kring jonge wilgen, waarvan de stammen deels witgeverfd zijn, is een kunstwerk in het kader van de expositie ‘Tien jonge Dordtse Kunstenaars ‘ die in mei 1972 wordt gehouden. In de tuin zijn nog enkele andere kunstwerken te zien.

Jonge wilgen van Lucien den Arend, 1972

Concert in de tuin, 1972

Spelende jeugd op luchtkussen in de tuin, 1975

De mensen

In de afgelopen 175 jaar hebben miljoenen mensen van de collectie genoten. Hieronder zijn natuurlijk niet alleen vele bekende en onbekende bezoekers maar ook de medewerkers en directeuren.

 

Jonkheer Six in de jaren 30

Jonkheer E.W.C. Six (1921 - 1947)

Naarmate de collectie groeit en er meer tentoonstellingen worden georganiseerd, wordt de belasting voor de bestuursleden groter. In 1918 wordt op de jaarvergadering in mei voor het eerst te kennen gegeven, dat er behoefte bestaat aan een directeur voor het museum.

Jonkheer Edward Willem Christlieb Six wordt op 1 juli 1921 tot eerste directeur benoemd. Na zijn studie, eerst aan het gymnasium en vervolgens aan de universiteit van Utrecht wordt hij in 1919 directeur van het Fries Museum. Twee jaar later verlaat hij Leeuwarden om directeur van het Dordrechts Museum te worden. Hij woont aan de Vrieseweg en later aan de Levensverzekeringsstraat (tegenwoordig het Rozenhof). Vanaf 1923 combineert hij de functie met die van conservator van het andere Dordtse museum, Museum Mr Simon van Gijn. Six blijft in functie tot 1947, toen hij wegens ziekte werd opgevolgd door de interim-directeur D.F. Lunsingh Scheurleer, rijksadviseur voor de musea. In deze periode wordt ook een begin gemaakt met de inventarisatie van de verzamelingen. Het personeel bestaat echter slechts uit een conservator, conciërge en amanuensis.

 

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, in 1939 begint Six met het in veiligheid brengen van de collectie: veel stukken worden ergens anders ondergebracht. Maar zelfs tijdens de oorlog geven particulieren nog waardevolle voorwerpen bij het museum in bewaring. Het museum gaat dicht, maar in de zomer van 1942 tijdelijk weer open voor de tentoonstelling ‘Groeiend Dordrecht’. In 1947 opent het museum weer zijn deuren. Dit heeft Six helaas niet meer meegemaakt, omdat hij ziek is. In datzelfde jaar overlijdt hij in het ziekenhuis in Den Haag.

Six in zijn werkkamer in 1942

Ieder museum heeft ansichtkaarten, alleen worden ze daar reproducties genoemd. Zo ook het Dordrechts Museum. Ze zijn natuurlijk in eerste instantie bedoeld voor de bezoekers die op deze manier een klein kunstwerkje mee naar huis kunnen nemen.

Maar waarom zou de directeur er geen gebruik van maken voor zijn correspondentie?. Dat doet Six in iedere geval. Op deze kaarten zien we zijn karakteristieke handschrift en even kenmerkende zwarte inkt.

Laurens Jan Bol in zijn werkkamer, circa 1960

L.J. Bol (1949 - 1965)

In 1949 wordt een full time opvolger gevonden voor Lunsingh Scheurleer, die na het overlijden van Six de honneurs heeft waargenomen. Het is Laurens Jan Bol, een onderwijzer uit Ooltgensplaat. Op het eerste gezicht een wat merkwaardige keuze, maar niet als we bedenken dat er in die periode nog nauwelijks sprake is van het vak kunstgeschiedenis aan universiteiten. Bol heeft zich al op jonge leeftijd verdiept in de schilderkunst. Met een studie over kleine schilderijen van een kleine meester, Adriaen Coorte,  verwerft hij voor het eerst bekendheid. In het buitenland wordt hij bekend door een boek over ‘The Bosschaert dynasty’, een familie van bloemstillevenschilders.

Bol wordt expert van de wat minder bekende kunstenaars (toen) door hun werk te observeren. Bij een tentoonstelling ter ere van Bol in 1984 in Amsterdam omschrijft Ingvar Bergström de kracht van Bol als volgt: ‘het onderzoekswerk van Bol stoelt op de meest solide basis, namelijk de intensieve beschouwing van de schilderijen zelf.’

Hij is een soort Pierre Jansen avant la lettre. Voor hem geen hoogdravende theorieën over kunst maar mensen simpelweg kunst leren appreciëren door er aandachtig naar te kijken. Wat dat betreft is het ouderwetse woord ‘kunstbeschouwing’ wel op zijn plaats. Naarmate zijn kennis groeit, leert hij ook verzamelaars kennen en dit leidt tot wederzijds vruchtbare banden. Hij kan hen meer vertellen over de werken en bouwt zo een schare verzamelaars om zich heen die bereid zijn om werken uit te lenen aan het museum voor tentoonstellingen. Daardoor is Bol in staat tentoonstellingen te maken die in de kunstwereld zeer worden gewaardeerd.

Zijn reputatie als museumdirecteur, een functie die hij pas vanaf zijn 51ste bekleedt, wordt gemaakt door de reeks tentoonstellingen die hij in de jaren 50 in Dordrecht tot stand brengt.  Wat zijn laatste zomertentoonstelling had moeten worden ‘De eenvoud in de Hollandse kunst’, moet hij voortijdig staken door de onenigheid tussen de museumvereniging en de gemeente. Een ruzie die zelfs de nationale kranten haalt.

Bol tijdens de opening van een tentoonstelling

Onder de titel ‘Laurens J. Bol en Dordrecht’ verschijnt op 9  juni 1965 een artikel van Hans Redeker in het Algemeen Handelsblad. De titel mag dan heel neutraal klinken maar wat Redeker doet in het stuk is de deksel van een beerput lichten. En hoe. De stank is zo hevig dat dagblad De Dordtenaar zich genoodzaakt voelt om in de verdediging te schieten. Volgens De Dordtenaar is het stuk van Redeker emotioneel en eenzijdig. Maar de plaatselijke scribent kan er ook wat van met: ‘Gij, die behoort tot die kleine, bedompte, incompetente, achterbakse, incapabele, mokkende, a-culturele en wegsanerende Dordtenaar’ spreekt hij zijn lezers toe, al even emotioneel omdat hij alle negatieve bijvoeglijke naamwoorden van Redeker opsomt om het te laten lijken alsof het om alle Dordtenaren zou gaan.

Laurens J. Bol in 1985

Wat is hier aan de hand? Een stukje van de kunstredactie van De Telegraaf van 4 juni 1965 geeft daar een redelijk neutraal antwoord op. Op 1 juni 1965 is een nieuwe museumdirecteur door de gemeente aangesteld, te weten P.N.H. Domela Nieuwenhuis en dat terwijl Laurens Bol nog altijd in functie is. Want, nu komt het, de Vereniging Dordrechts Museum heeft Laurens Bol aangesteld en is daarom in hun ogen – en in de ogen van Bol zelf – de instantie die hem zou moeten ontslaan. Dus verzetten zij zich tegen het ontslag van Bol. Burgemeester Van der Dussen is het daar niet mee eens, hij redeneert anders. De Vereniging Dordrechts Museum ontvangt subsidie van de gemeente en dus wordt het loon van de directeur ook deels betaald door de gemeente, ergo is de gemeente ook gerechtigd zijn dienstverband te beëindigen.

Hoe is het afgelopen? Bol gaat met pensioen, Van der Dussen gaat met pensioen.

P.N.H. Domela Nieuwenhuis (1965 - 1975)

In januari 1965 wordt P.N.H. Domela Nieuwenhuis voorgedragen door het College van B&W, met instemming van het bestuur van de Vereniging  Dordrechts Museum, als opvolger van Laurens Bol. Na zijn studie kunstgeschiedenis aan het Ecole du Louvre werkt hij in het Mauritshuis, bij Panorama Mesdag en is hij conservator bij het gemeentemuseum in Arnhem. Na de roerige periode rond het vertrek van Bol komt het museum in rustiger vaarwater. Domela Nieuwenhuis weet een aantal succesvolle tentoonstellingen naar Dordrecht te halen. Uit de onderwerpen blijkt zijn belangstelling voor kunstnijverheid.

Maar aan het eind van de jaren zestig krijgt hij te maken met eisen die de gemeente, vertegenwoordigd in de Culturele Raad,  stelt aan het museum. Er moet meer oog zijn voor educatie en scholen moeten vaker het museum kunnen bezoeken. Het is niet langer genoeg om de schilderijen op te hangen, men moet het ook uitleggen aan de ‘gewone man’. Begin jaren 70 komt daar nog gemor van de plaatselijke kunstenaars bij. Zij vinden dat het museum te weinig plaats biedt voor moderne kunst. Met name de programmering voor Waarheid en Vrede is een strijdpunt. Besloten wordt om Domela Nieuwenhuis tot directeur van Museum Mr Simon van Gijn te benoemen en J.M. de Groot tot directeur van het Dordrecht Museum. Domela Nieuwenhuis is daar naar eigen zeggen wel content mee,  omdat hij zoals hij het zelf zegt ‘toch meer een kunstnijverheidsman’ is.

P.N.H. Domela Nieuwenhuis in de studeerkamer van Simon van Gijn, circa 1975

Jup de Groot, november 1973

J.M. de Groot (1975 - 2000)

Per 1 januari 1975 wordt Jup (Jacob) de Groot benoemd tot directeur van het Dordrechts Museum. In 1974 wordt er een onderzoek ingesteld naar het reilen en zeilen van de Dordtse musea. De uitkomst hiervan is het besluit om voor ieder museum een directeur aan te stellen, in plaats van één directeur voor beide musea. Met instemming van directeur Domela Nieuwenhuis, die zich liever toelegt op de kunstnijverheid wordt besloten dat hij directeur van Museum Mr Simon van Gijn en Jup de Groot, al in dienst als conservator bij Museum Mr Simon van Gijn, de directeur van het Dordrechts Museum wordt.

Als directeur ziet De Groot het als zijn taak om de lacunes in de verzameling op te vullen. Daarbij koopt hij niet alleen oude maar ook moderne kunst en later ook kunst van jonge kunstenaars. De catalogus van zijn afscheidstentoonstelling ‘Kopen voor de eeuwigheid’ geeft een mooi overzicht van de werken die hij als directeur voor het Dordrecht Museum heeft aangeschaft.

De mensen achter het museum

Het ‘schilderijenmuseum’ in Dordrecht was 175 jaar geleden vooral een zaak van deftige mannen. Het is opgericht door mannen die behoren tot de elite, gefinancierd door een elite en is op afspraak open voor de elite. Bovendien is de eerste museumdirecteur een jonkheer. In het begin kan het museum nog functioneren met alleen een bestuur, een directeur en een conciërge. In 1909 verschijnt een advertentie in de Dordrechtsche Courant met een oproep voor een suppoost voor het Dordrechts Museum.

In de loop van de twintigste eeuw is het grootste deel van de elite ingelijst aan de muur te vinden en wordt het museum door een steeds groter en breder publiek bezocht. Eén suppoost en één conciërge zijn niet langer voldoende. Restauratoren, conservatoren, publieksbegeleiders, educatieve en publiciteitsmedewerkers doen hun intrede. Een van die medewerkers was suppoost L. Koster (1854-1930). Een stukje in de krant bij zijn overlijden in 1930 meldt dat hij in Dordrecht een bekende verschijning was, een grijs bebaarde man die graag ‘Engelschen’ rondleidde door de zalen van het museum. Als jongeman werkte hij op de grote vaart, waardoor hij zich redelijk verstaanbaar kon maken in het Engels. Helaas is er van hem geen foto bekend.

 

Bezoekers

Vele hoogwaardigheidsbekleders, kunstenaars en kunstliefhebbers hebben het museum met een bezoek vereerd. Hieronder vindt u een kleine selectie.

De collectie

De collectie van het Dordrechts Museum omvat zes eeuwen schilderkunst. Hieronder treft u een kleine selectie aan.

Drama in het museum

Alle kunst is weerloos. In 1988 schrijft een man uit Papendrecht een anonieme brief aan de Dordtse rechtbank waarin hij aankondigt binnenkort een schilderij zodanig te vernielen dat ‘een Rembrandt niet langer van een Picasso is te onderscheiden’. Zeven maanden later slaat hij zijn slag, het verdriet en ongeloof zijn groot. ‘Drama in het museum’ luidt de kop in de Dordtenaar op donderdag 30 maart 1989. De dader blijkt een xenofobe en gefrustreerde 61-jarige man. De werkloze Papendrechter verklaart tegenover de politie zich gediscrimineerd te voelen. Zijn baan zou zijn ingenomen door buitenlanders.

Vernielzucht is van alle tijden. In het boek The Destruction of Art geeft Dario Gamboni een verhelderend overzicht van het ook nu nog alomtegenwoordige iconoclasme. Een zelfverklaard ‘kunstliefhebber’ slaat in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1986 en 1997 twee keer toe. Beide keren zijn werken van de Amerikaans kunstenaar Barnett Newman het doel. Sommigen houden daarna een pleidooi om de strafmaat voor vernieling van openbaar kunstbezit te verhogen. Weer anderen wijzen erop dat ‘vormen van vernieling reeds als kunst zijn geaccepteerd’. Je kunt iemand die van kunstvernieling wordt verdacht daarom toch niet in hechtenis nemen? Net als de dader in Amsterdam komt ook de pleger van het vandalisme in het Dordrechts Museum binnen een halve dag na zijn daad weer op vrij voeten. Dit tot teleurstelling van museumdirecteur De Groot. Want een tiental werken zijn beschadigd en het zal nog jaren duren voordat ze zijn gerestaureerd.

De beschadigde Biddende Anna van J. Victors

Restauratoren Jos Deuss en Leo Marchand bij twee beschadigde portretten

Zeventiende-eeuwse schilderijen van Ferdinand Bol, Nicolaas Maes, en Jan Victors zijn beschadigd. Maar twee portretten van Jacobus Levecq zijn er het ergst aan toe. Er zijn grote stukken uitgesneden. Ook een doek van de Dordtse meester Aelbert Cuyp wordt getroffen, het is uitgeleend aan het museum door een particulier uit Amsterdam. De daders komen, ook in het geval in Dordrecht, vaak uitgebreid in de media aan het woord. Of het echter wel goed is publiciteit te geven aan dit soort incidenten en moedwillige vernielingen is binnen de museumwereld de vraag. Het zou zieke of gefrustreerde geesten immers op ideeën kunnen brengen.

 

Gezicht op Dordrecht

Door de actie ‘Geef Dordrecht zijn gezicht terug’ wordt een schilderij van Van Goyen in 2008 voor heel veel mensen hét gezicht van het museum. Het werk hangt vanaf 1948 een halve eeuw in Dordrecht, maar was geen eigendom van het museum. In 2006 gaat het naar de rechtmatige eigenaren, de erven Goudstikker. Het museum doet een half jaar lang een beroep op fondsen, bedrijfsleven en particulieren. Het ministerie van OCW zegt € 775.000 toe voor de aankoop, één particulier schenkt € 50.000. In totaal wordt de benodigde 3,5 miljoen bij elkaar gebracht.

Van Goyen schildert dit gezicht in de laatste fase van zijn loopbaan die rond 1620 begint. Vanuit een bootje observeert Van Goyen hoe door wind en zonlicht de aanblik van lucht en water verandert. Hij noteert zijn indrukken in kleine schetsboekjes die hij in zijn atelier uitwerkt. Dominerend is de onvoltooide toren van de Grote Kerk, toen en nu hét kenmerk van de stad. De andere gebouwen zijn slechts gedeeltelijk te herleiden. De compositie is belangrijker dan een juiste topografische weergave. Na het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 vertolken vooral de geliefde gezichten op Dordrecht de trots op de jonge republiek. Meer dan andere steden staat Dordrecht symbool voor Holland en het karakteristieke Hollandse landschap. De kleurige Hollandse vlaggen op de zeilboten versterken de nationalistische uitstraling.

Gezicht op Dordrecht door Jan van Goyen

Schoenmakerszoon Van Goyen blijkt al vroeg aanleg te hebben voor tekenen en schilderen. Na diverse leermeesters is hij een gerespecteerd kunstenaar, maar desalniettemin verkeert Jan voortdurend in geldnood. Met het kopen en verkopen van onroerend goed en het speculeren in tulpenbollen probeert hij tevergeefs zijn financiële positie te verbeteren. Hij is misschien daarom wel één van de meest productieve zeventiende-eeuwse schilders van landschappen en riviergezichten. Er zijn 1.200 schilderijen en 800 tekeningen bewaard gebleven. Dordrecht wordt maar liefst dertig keer geportretteerd.

Zelfportret van Aert Schouman

Il pastor fido

In 2017 kan het museum dankzij crowdfunding en giften van fondsen de zeldzame behangselreeks Il pastor fido (de trouwe herder) van Aert Schouman opnemen in de collectie. De actie Thuis in Dordt: Houd de herder bij de schapenkoppen is geslaagd. Door de inzet en steun van velen is een unieke kamerbeschildering blijvend teruggekeerd naar Dordrecht en openbaar kunstbezit geworden. Een jaar eerder werd de complete reeks, in 1742 gemaakt voor een Dordtse patriciërswoning, teruggevonden in Engeland.

De succesvolle tentoonstelling ‘Een koninklijk paradijs – Aert Schouman en de verbeelding van de natuur’ maakt duidelijk dat Schouman (1710-1792) tot de belangrijkste schilders uit de achttiende eeuw behoort. In het bijzonder heeft hij zijn stempel gedrukt op de decoratieve (interieur-)kunst, zoals schoorsteen-, plafond- en bovendeurstukken en ‘behangsels’. Hiervan is zeer weinig op de oorspronkelijke plek bewaard gebleven. Wat er verspreid is geraakt, is dikwijls versneden en incompleet. De zeldzame Il pastor fido-reeks is van bijzondere kunst- en cultuurhistorische waarde. In de tentoonstellingscatalogus schrijft kunsthistoricus Charles Dumas: ‘Door de lichte kleuren en door de losse uitvoering kan dit ensemble tot de mooiste binnen Schoumans oeuvre worden gerekend’.

Tentoonstelling 'Groeiend Dordt'

Terugkijkend op de jaren dertig is het lastig om niet de schaduwen te zien die dan vooruit worden geworpen door de daarop volgende donkere jaren. Uitdagende, vernieuwende ontwikkelingen op cultureel gebied doen zich niet voor of gaan althans aan Dordrecht voorbij. Ook het verenigingsleven komt in rustiger vaarwater terecht en wordt, net als het hele leven, steeds meer beheerst door de crises.

De tentoonstelling in 1942 ter gelegenheid van het eeuwfeest van het Dordrechts Museum kan helaas niet de grote Aelbert Cuyp-tentoonstelling zijn waar de gedachten al langer naar uitgaan. Noodzakelijke bruiklenen uit Engeland kunnen door de oorlog hun weg naar Dordrecht niet vinden. In plaats daarvan komt de tentoonstelling ‘Groeiend Dordt, de groei der Merwestad door de eeuwen heen’. Een veilig historisch onderwerp waar de directie zich geen buil aan kan vallen.

Bij de opening van de tentoonstelling staande voor de maquette van de oude binnenstad

Schotel spelende op de opgegraven blokfluit

Van juli tot september kunnen bezoekers dagelijks terecht. Meer dan 15.000 mensen kopen een kaartje voor fl 0,10 of 0,25 per stuk. Er worden ook lezingen en rondleidingen verzorgd. Onder andere over de opgraving van de fundamenten van Huis ter Merwede. En er wordt een maquette getoond die is gemaakt op basis van een paar oude stadskaarten. Jubal-directeur Schotel zorgt voor een muzikale omlijsting. Hij speelt naar aanleiding van de tentoonstelling op een bij het Huis te Merwede gevonden blokfluit.

Herdenkingstentoonstelling Reinier Kennedy

Op 23 maart 1960 overlijdt in Bergen op Zoom de kunstschilder Reinier Kennedy in het Krankzinnigengesticht Vrederust. Hij is vooral bekend van de wandschilderingen in het stadhuis. Hoewel de wandschilderingen de trots van het stadhuis zijn, werd de maker ervan nauwelijks serieus genomen, niet als mens en niet als kunstenaar, ten onrechte.

Gelukkig weet museumdirecteur Laurens Bol het werk van Kennedy wel te waarderen maar helaas pas na het overlijden van de kunstenaar. Hij verdiept zich een jaar lang in zijn dagboeken en brieven, bekijkt zijn werk en organiseert een herdenkingstentoonstelling voor hem.  Dat is in 1961. Als we de minutieuze tekeningen bekijken die Kennedy heeft gemaakt van bloemen, planten en dieren dan is het niet verwonderlijk dat het juist Bol is, degene die Adriaan Coorte herontdekte en veel waardering oogstte met zijn tentoonstelling ‘Bekoring van het kleine’ die zijn werk op waarde weet te schatten.

Bloesem door Reinier Kennedy

Drie leden van een Japanse filmploeg maken een opnames in het Gemeentearchief

Tentoonstelling 'Kaiyo-Maru'

Op 10 november 1979 worden twee tentoonstellingen geopend over het in Dordrecht gebouwde oorlogsschip Kaiyo-Maru, een in Dordrecht Museum en een in de tentoonstellingsruimte van de Gemeentelijke Archiefdienst. De tentoonstelling wordt geopend door de ambassadeur van Japan, Hirochi Uchida met een speciale delegatie onder leiding van burgermeester G. Honda uit Ezashi, de stad aan de baai waar de Kaiyo-Maru in 1868 in een storm is vergaan.

In 1974 wordt het wrak van de Kaiyo-Maru gevonden. Tijdens een bergingsoperatie die vier jaar duurt, worden circa 1.800 voorwerpen naar boven gehaald. Voor de tentoonstelling worden 300 van deze voorwerpen geselecteerd. Hierbij zijn wapens zoals pistolen, sabels, kogels en granaten en verder allerlei gebruiksvoorwerpen en tot de scheepsuitrusting behorende zaken zoals ankers, scheepskettingen en katrollen. Uit verschillende collecties worden scheepsjournalen, rekeningen, foto’s en brieven geleend om de bouw van het schip door gebroeders C. Gips en Zonen te illustreren. De tentoonstelling is een groot succes en wordt door 7.000 bezoekers bezocht met een topdag op zondag 2 december 1979 toen er op één dag duizend bezoekers kwamen.

 

De eerste Jongkind-tentoonstelling in Dordrecht

Dat er in Dordrecht in 1982 een bijzondere Jongkind-tentoonstelling te zien is, is te danken aan een slim idee van Jup de Groot. Er is hem ter ore gekomen dat er al vergevorderde plannen van drie grote Japanse musea zijn om een gezamenlijke Jongkind-expositie te organiseren. De Groot redeneert dat er toch een plaats moet zijn waar alle werken van de bruikleengevers verzameld en ingepakt kunnen worden. Dus waarom niet Dordrecht, preciezer: het Dordrechts Museum? Wanneer de werken een maand eerder bijeen worden gebracht dan aanvankelijk de bedoeling is, dan kan Dordrecht deze unieke  tentoonstelling, samengesteld door Jongkind-kenner en kunsthistorica Victorine Hefting (1905-1993),  nog aan het Nederlandse (en buitenlandse) publiek tonen voordat ze naar Japan zal afreizen.

Rivierlandschap bij Dordrecht door Johan B. Jongkind

Premier Van Agt wordt belaagd door demonstranten in de Museumstraat

De tentoonstelling wordt geopend door minister president Van Agt, maar het feestje wordt verstoord door anti-kernwapen demonstranten die zich onder de genodigden begeven hebben om hun standpunt persoonlijk aan hem kenbaar te maken. Ook hun feestje wordt verstoord toen de suppoosten ze hardhandig buiten zetten. Na deze verstoring wordt de tentoonstelling door Van Agt alsnog symbolisch overhandigd aan de Japanse ambassadeur, N. Nakashima. Zoals verwacht, wordt de tentoonstelling druk bezocht, in het laatste weekend zijn er bijna net zoveel mensen geweest als anders in een jaar.

Jongkind 'revisited' van 29 oktober 2017 tot 27 mei 2018

De tweede Jongkind-tentoonstelling in het Dordrechts Museum vindt 35 jaar later plaats. In het jubileumjaar van de vereniging presenteert het Dordrechts Museum een grote tentoonstelling rond Jongkind met de titel ‘Jongkind en vrienden’ met schilderijen uit museale en particuliere verzamelingen in binnen- en buitenland en een selectie aquarellen die zijn virtuositeit tonen. Veel van de werken zijn niet eerder in Nederland te zien geweest.

Het is een zeer geslaagde tentoonstelling, na Willem II de meest bezochte tentoonstelling ooit in het Dordrechts Museum. Het is nog even spannend of de bezoekersaantallen de 90.000 zullen halen, maar door de drukte in de laatste weken zijn er uiteindelijk 91.240 bezoekers geweest. De reacties zijn zeer lovend, zowel in de pers als van de bezoekers zelf.  Sommige bezoekers vertellen dat ze ‘Jongkind en vrienden’ wel drie keer hebben bezocht.

Kenmerkende schilderijen van Johan B. Jongkind

Otto Dicke in zijn werkkamer

Overzichtstentoonstelling Otto Dicke

Op 3 mei 1983 wordt een tentoonstelling geopend van het werk van Otto Dicke (1918-1984). Is het een cadeau voor Dicke op zijn 65ste verjaardag of trakteert hij de stad waarvan hij ereburger is geworden met dit fraaie overzicht van zijn werk? Hoe dan ook, de tentoonstelling wordt goed bezocht, 7.000 bezoekers zijn er geweest. En ook museumdirecteur De Groot kijkt met genoegen terug op de tentoonstelling zo blijkt uit een briefje dat hij na afloop schrijft aan Dicke om hem te bedanken voor de plezierige samenwerking.

Het grootste deel van Dickes werk bestaat uit tekeningen, cartoons en illustraties. Daarnaast maakte hij ook wandschilderingen en mozaïeken in opdracht. Zijn vrije werk bestaat met name uit figuurstudies, tekeningen van kinderen en landschappen. Vooral het landschap heeft zijn voorkeur, van de omgeving van Dordrecht, Alblasserwaard, Krimpenerwaard en het gebied langs de rivieren Lek en Waal heeft hij prachtige tekeningen gemaakt.

Overzichtstentoonstelling Philip Kouwen

Bijna tien jaar later, van maart tot juni 1998 heeft vakgenoot, Picturiaan en zwager van Otto Dicke, Philip Kouwen een overzichtstentoonstelling in het Dordrechts Museum. Het werk bestaande uit landschappen, figuurstudies, stadsgezichten en stillevens is gemaakt tussen 1944 en 1996. Zijn tekeningen worden gekenmerkt door oneindig veel gradaties van grijstinten, krijt op papier, zeer minutieus uitgevoerd. In de fraai uitgevoerde catalogus komen vrienden, vakgenoten en een oud-leerlingen uit zijn tijd als docent aan de AKI in Enschede aan het woord. Het is aardig te lezen dat Kouwen zijn studenten voorlas uit het (in 1961) net verschenen boek van Nescio, Boven het dal.

 

Jup de Groot in gesprek met Philip Kouwen

Portret van koning Willem II

Willem II - Kunstkoning

In 2016 wil de Tweede Kamer opheldering over de verkoop van kunst door het Koninklijk Huis. Men verkoopt een schilderij en een map met honderden zeventiende en achttiende-eeuwse tekeningen. De opbrengst van naar schatting enkele miljoenen is voor de Oranjes zelf. De verkoop van kunst door de Oranjes, zonder medeweten van parlement of musea, past in een traditie. In 1850 wordt een groot deel van de kunstcollectie van Willem II verkocht. Koning Willem II is een gepassioneerd kunstverzamelaar, maar hij steekt zich hiermee behoorlijk in de schulden. Bovendien heeft hij vanwege zijn losbandige levensstijl regelmatig grote bedragen nodig om schandalen af te kopen. In juni 1848 is de nood zo groot dat zijn zwager Nicolaas hem één miljoen gulden leent met zijn schilderijenverzameling als onderpand.

Als Willem II een jaar later in Tilburg overlijdt, wordt duidelijk dat de regeling met de Russische tsaar onvoldoende is. Na een inventarisatie blijkt het te gaan om een schuld van zo’n 4,5 miljoen gulden. Koningin-weduwe Anna schrijft daarop in wanhoop een brief aan haar broer. Maar de kinderen van Willem en Anna stribbelen tegen en brengen de schilderijen naar een veiling. Ze menen dat er zo veel meer geld is op te halen dan via de Russische tsaar. Dit blijkt een ernstige misrekening. Bij elkaar komt er nog geen negen ton binnen. Jeroen van Zanten verbaast zich in zijn biografie over Willem II over de enorme snelheid waarmee deze collectie wordt verkocht, en waardoor die voor Nederland verloren gaat.

De consequenties zijn enorm, want in totaal gaan er in ‘de veiling van de eeuw’ 350 schilderijen onder de hamer. De verkoop duurt twee weken en kan rekenen op internationale belangstelling. Er worden tenslotte Rembrandts, Da Vinci’s, Rafaëls en Michelangelo’s aangeboden. De Nederlandse overheid toont geen interesse, de tsaar alsnog wel. Hij koopt een groot aantal werken; aanzienlijk goedkoper dan hij in eerste instantie met zijn zus had afgesproken. De werken gaan aldus de hele wereld over. In 2014 keert een deel van deze negentiende-eeuwse collectie tijdelijk terug in Nederland. Het Dordrechts Museum maakt er een speciale expositie van en vestigt zo de aandacht op een zwarte bladzijde uit de Nederlandse kunstgeschiedenis. De tentoonstelling trekt een record aantal van meer dan 110.000 bezoekers.

De kunstgalerij van koning Willem II in Den Haag

De aardse liefde dreigt kopje onder te gaan in de Voorstraatshaven. Deze reproductie van Ary Scheffers schilderij De hemelse en de aardse liefde maakte deel uit van een route door de haven: aan de kademuren waren reproducties gemonteerd

Meer musea in Dordrecht ontdekken?

Voor actuele tentoonstellingen & praktische informatie