Samengesteld door Helen Stroosma, Niels van Driel en Sander van Bladel

Het begin

Honderd jaar geleden brak de Eerste Wereldoorlog uit. Ook Dordrecht, een stad ver van de Belgische en Duitse grens, in een land dat koste wat kost neutraal wilde blijven, werd geraakt door deze Grote Oorlog. Reden voor het Regionaal Archief Dordrecht om aandacht aan deze periode te besteden.

Behalve uit foto’s en documenten uit de eigen verzameling van het Regionaal Archief is deze tentoonstelling samengesteld uit beelden, verhalen en objecten die wij ontvingen na een oproep in de regionale media. Zo kregen wij briefkaarten aangeboden van de nakomelingen van gemobiliseerde soldaten. Ook kleinkinderen van Belgische vluchtelingen lieten van zich horen. Onderzoekers wezen ons op een verhaal van een Dordtse smokkelaar en een verslag van een barre tocht naar België.

Het startschot

De aanslag op aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw, op 28 juni 1914, gepleegd door de Servische student Gavrilo Princip, was het ‘startschot’ voor de Eerste Wereldoorlog. Wat begon als lokaal gerommel op de Balkan, groeide uit tot een crisis van internationale proporties. Vanaf 28 juli 1914, toen Oostenrijk-Hongarije de oorlog verklaarde aan Servië, kwam alles in een stroomversnelling. Drie dagen later verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland. Vervolgens zijn er oorlogsverklaringen van Duitsland aan Frankrijk, van Oostenrijk-Hongarije aan Rusland, van Servië en Groot-Brittannië aan Duitsland en van Frankrijk en Groot-Brittannië aan Oostenrijk-Hongarije. De ramp is onafwendbaar; buiten onze grenzen woedde een oorlog die bijna 9,5 miljoen mensen het leven zou kosten.

Aanslag op Franz Ferdinand | Museum IJzertoren Diksmuide België

Wie dit bord heeft gemaakt is niet bekend. Het is in ieder geval een knap staaltje schilderwerk. Probeer maar eens zulke dunne gouden lijntjes op een bord te schilderen. Op dit bord is in één oogopslag te zien hoe ingewikkeld het landschap van allianties en vijanden is. De oorlogsverklaringen, schematisch weergegeven, lopen als een gouden draad van het ene naar het andere land. Het geheel is geschilderd op een regout bord, de randen zijn door de jaren heen al een beetje gaan bladderen. Het bord was ooit eigendom van W. Klein, de grootvader van de schenkster. Klein was lid van het vluchtelingencomité en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij een dergelijk bord als herinnering heeft verzameld.

Dreiging

Ondanks de roerige tijden vieren de meeste mensen die het zich kunnen permitteren, gewoon vakantie in de zomer van 1914. Maar na 28 juli 1914, wanneer Oostenrijk-Hongarije de oorlog verklaart aan Servië, slaat de vakantiestemming snel om. De oorlogsverklaringen volgen elkaar snel op: van Duitsland aan Frankrijk, van Oostenrijk-Hongarije aan Rusland, van Servië en Groot-Brittannië aan Duitsland en van Frankrijk en Groot-Brittannië aan Oostenrijk-Hongarije. Bij de zorgeloze vakantiegangers dringt het besef door dat ze als de wiedeweerga huiswaarts moesten keren. Het vakantietripje verandert in een vlucht.

“Nu had ik gedacht als de toestand nog niet beslist is en wij kunnen weg. Maandag met je mee naar huis te gaan, is de toestand beslist en staat het ergste voor de deur, dan natuurlijk ook.”

Arijana Harshagen-Torman

“Ik denk morgen een beslissende dag zal worden omtrent de Europeesche oorlog. Wat zal er gebeuren God beware ons!”

Dirk Harshagen

“’t Zijn allemaal toestanden waar ik niet al te best tegen kan, dat raakt mijn hart teveel.”

Arijana Harshagen-Torman

Gelukkig viert het gezin van notaris Dirk Harshagen uit Dordrecht de vakantie in Nederland. In juli heeft de familie zijn intrek genomen in een hotel in Lochem maar wanneer Dirk Harshagen voor zijn werk weer terug gaat naar Dordrecht blijft moeder Harshagen-Torman met haar kinderen achter in Lochem. Tussen 27 en 31 juli schrijven de Harshagens elkaar soms meerdere keren per dag. De briefwisseling maakt, misschien nog wel meer dan het nieuws in de kranten van die tijd, voelbaar hoe de oorlogsdreiging binnendringt in het gezinsleven. Vader Harshagen houdt het nieuws in de gaten. Moeder Harshagen houdt op haar beurt haar kinderen in de gaten en zoontje Harshagen schrijft zijn vader over zijn belevenissen. Bijna tot op de laatste dag is nog onzeker of ze terug zullen keren naar Dordrecht. Tot het moment waarop duidelijk wordt dat Nederland mobiliseert. Er is geen twijfel mogelijk en Harshagen stuurt zijn vrouw een telegram met de boodschap onmiddellijk naar huis te komen.

Lees de transcripties van de brieven van de familie Harshagen.

MOBILISATIE

Op 31 juli 1914 besluit de Nederlandse regering om het leger te mobiliseren. Nu de landen om ons heen op het punt staan met elkaar in oorlog te gaan moeten de landsgrenzen bewaakt worden. Nederland heeft zich neutraal verklaard maar ook neutraliteit moet verdedigd worden. Een algehele mobilisatie wordt afgekondigd en blijft tot het einde van de oorlog van kracht. Om 15.00 uur werden de mobilisatieoproepen – zoals deze – op de gemeentehuizen opgeplakt en onder het luiden van de kerkklokken onder de aandacht van de bevolking gebracht.

POST NAAR HUIS

Begin augustus zorgden Hendrikus Colijn, minister van Oorlog en de chef van de generale staf luitenant-generaal Cornelis Snijders dat er 200.000 dienstplichtige mannen op de been werden gebracht om de landsgrenzen te verdedigen. De mannen verlieten hun gezinnen en hun werk met het idee dat het allemaal in een paar maanden wel weer over zou zijn. De soldaten werden ingekwartierd in overheidsgebouwen en bij particulieren.

In hun vrije uurtjes schreven zij naar huis, naar hun ouders of naar hun geliefden. Fotografen kregen het er druk mee. Er zijn talrijke foto’s van soldaten op oefening, soldaten in hun barakken, soldaten bij hun gastgezin, soldaten aan het werk in een veldkeuken of tijdens hun vrije uurtjes. De foto’s waren aan de achterkant voorzien van voorgedrukte adresstreepjes. Soms was er ook een vierkantje voor een postzegel maar kennelijk was het handgeschreven woordje militair genoeg om geen postzegel te hoeven plakken. Hieronder een greep uit de talrijke foto’s en kaarten.

SOLDAAT GROENEWOUD

Deze kaart met Groeten uit Klaaswaal verzond Dirk Groenewoud (geboren te ‘s-Gravendeel op 1 augustus 1890) aan Antonia Romein te Rijsoord op 18 september 1916. Tussen 6 en 7 uur om precies te zijn, zo valt uit het poststempel af te leiden. De voorkant van de kaart wekt de indruk dat hij net getrouwd is. Maar Dirk loopt enigszins op de zaken vooruit. Toch kon Antonia Romein zonder veel moeite tussen de regels door lezen wat haar Dirk zoal bezighield. Het is nu nog al koud. Zitten de aardappelen al onder dek, want ik heb ook nogal graag dek en ja, er is zoveel dat ik graag had, maar dat wijst deze kaart wel aan.  Dirk moet nog even geduld hebben. Op 13 april 1917 mag hij Antonia zijn vrouw noemen.

Ook voor buitenstaanders vertelt deze kaart meer dan je op het eerste gezicht denkt. Wanneer de kaart wordt verstuurd, is het september 1916 en is de mobilisatie al een jaar aan de gang. De oorlog, waarvan velen hoopten dat hij met Kerstmis 1914 afgelopen zou zijn, duurt maar voort. Gemobiliseerde soldaten leveren niet alleen een gevecht tegen verveling, maar maken zich dikwijls zorgen over hoe het hun families thuis vergaat.

In het eerste jaar van de mobilisatie was er nog geen sprake van verlof, maar toen bleek dat het einde van de oorlog niet in zicht was, gingen er stemmen op om de mate van paraatheid te verminderen. Opperbevelhebber Snijders was er niet blij mee, maar kon ook niet ontkennen dat een verlofregeling noodzakelijk was geworden. In de loop van 1915 werd de regeling versoepeld en kregen de soldaten af en toe verlof. Soldaten die lang onder de wapenen waren geweest, zwaaiden af, maar bleven wel oproepbaar.  Zover was het voor Dirk nog niet. Hij schrijft: .. en nu gaat ik zaterdag weer naar huis met vrijheid van beweging en de volgende week D.V. met verlof.

In het vakje dat bedoeld is voor de postzegel staat het woordje militair. Gemobiliseerde soldaten waren vrijgesteld van het betalen van porto voor hun brieven en kaarten naar huis. En er staat nog iets op de kaart wat misschien verwondering wekt. Onder het adres staat Zondag niet bezorgen. Werd er op zondag bezorgd dan? Ja, en soms wel meerdere malen per dag. Maar niet iedereen wenste dat er op de dag des Heeren werd gewerkt. Voor die diepgelovige mensen waren er sinds 1912 etiketten te koop die je op een brief kon plakken met de tekst: Niet bestellen op zondag. 50 etiketten voor 1 cent. Zulke etiketten had Dirk kennelijk niet voorhanden, aber ohne geht es auch.

JOHANNES ZOCK

Johannes Zock, lichting 1912, nr. 109 wordt op 3 mei 1892 in Dordrecht geboren. Bij het uitbreken van de oorlog in 1914 wordt hij opgeroepen om de grens te bewaken. Zock was kok en infanterist. Volgens zijn dochter, Nancy van Wel, werkte Zock met honden die de mitrailleurs voorttrokken. Dat ging echter met zoveel lawaai gepaard dat dit werd afgeschaft. Vier jaar lang was hij op diverse plekken langs de grens actief. In die periode is hij op een aantal foto’s te zien. De meest bijzondere foto is er een waarop we hem zien met de ‘vijand’. Nederlandse en Duitse soldaten gebroederlijk naast elkaar. Zock heeft de mobilisatie periode als één groot avontuur ervaren. Op zijn diensttijd na, was hij nooit van het Eiland van Dordrecht af geweest.

SOLDAAT VAN ZOEST

De vader van Huug van Zoest, afkomstig uit Lekkerkerk, was van 1916 tot 1917 gemobiliseerd. Als hoornblazer was hij gelegerd in de Mospoortkazerne in Leiden. Deze foto is genomen tijdens de winter van 1917. In februari schrijft van Zoest aan mejuffrouw Jo Verkerk dat ze haar schaatsen nog niet hoeft op te bergen, want het begint weer opvriezen geloof ik. Hier is tenminste heel dinsdag weer gereden.

VLUCHTELINGEN

Begin oktober komen de eerste grotere groepen vluchtende burgers, met name mensen uit de omgeving van Antwerpen, in Dordrecht aan. Ook vluchtende militairen weten via Zeeland de stad te bereiken. De vluchtelingen arriveren per trein, soms zelfs in goederenwagons en stoomboot.

Particuliere initiatieven komen sneller van de grond dan dat de lokale overheid voor opvang lijkt te kunnen zorgen. Een comité met de beeldhouwer W.F. Steiner als voorzitter wint al voor de komst van de Belgen adviezen in bij de Belgische consul in Dordrecht. Villa Noordhove wordt vervolgens als eerste onderkomen ingericht. Al spoedig blijkt deze opvangruimte aan de Oranjelaan onvoldoende en wordt in het stationsgebouw een speciaal vluchtelingenbureau gehuisvest. Op schepen en op diverse plekken in de stad en in de regio vinden vluchtelingen onderdak. Bij particulieren, in scholen, maar ook in de Lange Loods en de schouwburg aan de Cornelis de Wittstraat. De Belgen trekken vooral bij de Dordtse kinderen veel bekijks.

De medische verzorging krijgt alle aandacht en ook worden er allerlei activiteiten georganiseerd. In de rooms-katholieke kerk worden missen opgedragen, dus ook aan de geestelijk verzorging wordt gedacht. De opvang van de duizenden Belgen zorgt echter wel voor organisatorische en financiële problemen. Men krijgt al gauw nadat de situatie in Antwerpen enigszins is genormaliseerd het advies huiswaarts te keren. Om dit te stimuleren wordt aan velen een gratis treinkaartje verstrekt.

Veel getuigenissen van en over Belgische vluchtelingen zijn bewaard gebleven. In deze persoonlijke portretten vertellen wij je graag iets meer over dit stukje geschiedenis.

HARTELIJKE GROETEN UIT LEUVEN

Het moet een belevenis zijn geweest voor de jongste kinderen uit het Sliedrechtse gezin Van der Sluijs. De oudste kinderen woonden niet meer thuis, dus was er in hun kleine halfvrijstaande huis, na wat passen en meten, wel plaats voor vluchtelingen. De familie Vallons uit Leuven vond onderdak bij het gezin van J.A. (Jan) van der Sluijs (1865-1947) en S.H. (Sij) van der Sluijs-de Lint (1868-1937). Het huisje van Jan en Sij aan de Kerkbuurt werd in 1984 afgebroken, het stond op de plaats van het huidige verpleeghuis Waerthove.

Hoe lang de familie Vallons precies in Sliedrecht verbleef is niet bekend. Wel koesteren ze warme herinneringen aan hun verblijf in Holland. In september 1917 sturen ze een kaart met foto naar hun voormalige kostadres. Ze brengen ook de groeten over aan een aantal andere Sliedrechtse families. Helaas zijn er geen mondeling overgeleverde verhalen over het verblijf van deze Belgische vluchtelingen bewaard gebleven. De opa van Kees van der Sluijs overleed in 1975 als laatste van de zeven kinderen en had hier mogelijk nog wat over kunnen zeggen, al was hij als jongste in 1914 ook nog maar zeven jaar oud. Kees maakte ons attent op deze persoonlijke postkaart. Overigens was ook in het gezin van zijn andere overgrootouders een Belgische jongen ondergebracht.

THEOPHILUS VAN KERCHOVE ‘DE BELG’ IN GEMEENTELIJKE DIENST

Ook het echtpaar Van Kerchove–Heirwegh vlucht in oktober 1914 uit België. Ze hebben drie kleine kinderen, een vierde is op komst. De bedoeling was verder te reizen, maar tijdens een stop op het Eiland van Dordrecht wordt Theophilus van Kerchove aangesproken door de heer Groeneveld, hoofd van de gemeentereiniging te Dubbeldam. Die biedt Van Kerchove een baan aan, want men zoekt iemand die overweg kan met paard en wagen voor het ophalen van vuil. Als onderkomen betrekt het gezin een ruimte boven een schuur aan de Dubbelsteynlaan.

In Dubbeldam komen er nog meer kinderen. Later verkast Van Kerchove met zijn gezin naar Dordrecht omdat hij daar gaat werken voor de gemeentelijke reinigingsdienst. Tot zijn pensionering is Theophilus op dit gebied actief. Niet veel mensen kennen hem overigens bij naam, hij wordt simpelweg ‘de Belg’ genoemd. Van de acht kinderen zijn er drie later terug gegaan naar België. Er ontstaat dus een Nederlandse en een Belgische tak. Veel mensen met deze achternaam zijn wel verwant aan elkaar. Soms wordt het tussenvoegsel ‘Van’ echter met een kleine letter geschreven. Bij kleindochter Yvonne Brienen- van Kerchove, die ons deelgenoot maakte van deze interessante familiegeschiedenis, is dat echter niet het geval.

OSCAR BOSSAERT, BELG IN HET 1E VAN DFC

Oscar Bossaert wordt als Brusselse ondernemerszoon in 1887 geboren. Zijn vader is oprichter en eigenaar van de chocolade- en koekjesfabriek Victoria. In 1904 wordt er door deze Belgische firma in Dordrecht een filiaal geopend. Wellicht maakt Oscar dus al in zijn tienerjaren kennis met de stad. Hij blijkt een groot voetbaltalent en komt twaalf keer uit voor het Belgisch elftal. In 1912 speelt Oscar mee in de interland Nederland-België, gespeeld op het DFC-terrein.

Amper twee jaar later is ook Oscar Bossaert door de oorlog genoodzaakt zijn land te ontvluchten. Dordrecht is dan een voor de hand liggende bestemming. Bij DFC voelt hij zich snel thuis, Oscar speelt meer dan 50 wedstrijden in het eerste elftal. Na het einde van de oorlog keert Bossaert terug naar België. Als voetbalbestuurder, politicus en ondernemer heeft hij een rijke carrière. Het huidige Edmond Machtensstadion in de Brusselse deelgemeente Sint-Jans-Molenbeek heet in de periode 1939-1973 het Oscar Bossaertstadion. Bossaert overlijdt in 1956 op 68-jarige leeftijd. Arie Heijstek, archivaris van DFC, maakte ons op het levensverhaal van deze sportieve Belgische vluchteling attent.

DE BELGISCHE SCHIPPERSVLOOT IN PAPENDRECHT

De Belg E. Delrue maakte deze serie pentekeningen van de Belgische schippersvloot in Papendrecht. Ze geven een goed beeld van hoe het leven aan boord voor de vluchtelingen geweest moet zijn.

DISTRIBUTIE

Vanaf de mobilisatie in augustus 1914 worden veel mannen onttrokken aan de arbeidsmarkt. Voor gezinnen betekent dit dat de kostwinner wegvalt. In het begin van de oorlog is het nog mogelijk te hamsteren, maar hoe langer de oorlog duurt hoe moeilijker dit wordt. Vooral in de tweede helft van de oorlog begint de bevolking de gevolgen van de wereldbrand aan den lijve te ondervinden. De aanvoer van goederen stagneert. De weersomstandigheden zijn matig en aan kunstmest is tekort, zodat ook de oogsten vanaf 1915 minder goed uitpakken. Voor diverse artikelen komen er uitvoerverboden. Uiteindelijk wordt het nodig om een verdelingssysteem op te zetten. Tijdgenoten ervaren de oorlogsjaren vooral als distributiejaren.

Houtschepen bij de handelskade, ca. 1910-1920.

Houtschepen bij de Handelskade, circa 1910-1920

Stagnatie in de houthandel

Vanaf 1910 bloeit de Dordtse economie. De Eerste Wereldoorlog zorgt voor een onzekere situatie. Het zakenleven past zich snel aan. Er zijn echter moeilijkheden te over. Omdat de Nederlandse regering niet de garantie wil geven dat hout uit Rusland uit handen blijft van landen waarmee de leverancier in oorlog is, stagneert de aanvoer – en daarmee ook al snel de Dordtse houthandel. Sommige handelaars verdienen overigens kapitalen door hun voorraden duur te verkopen.

Brood- en vleeschmisère gingen hand in hand met de aardappelenellende, terwijl de licht- en brandstoffenvoorziening in de tweede helft van 1918 nog treuriger was dan zij in 1917 al was. In dit ongerief hebben wij – het is een schrale troost – met het geheele land gedeeld.

Dordrechtsche Courant, 1 januari 1919

Gefnuikte handel

Het wantrouwen jegens het neutrale Nederland als doorvoerhaven naar de tegenpartij heeft ingrijpende gevolgen voor het handelsverkeer. Voor de graanvoorziening is Nederland sterk afhankelijk van de Verenigde Staten. De blokkadepolitiek van de Engelsen knijpt de aanvoer af. Vanaf februari 1917 komen er door de onbeperkte duikbootoorlog veel goederen op de zeebodem terecht. Ons land kwam te verkeeren in den toestand van eene belegerde, van de buitenwereld afgesloten vesting.  Schaarste is het gevolg.

De Zee- of Wilhelminahaven. Op deze foto, genomen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, ligt de haven vol met schepen die vanwege de zeemijnen en blokkades tijdelijk opgelegd zijn.

De Zee- of Wilhelminahaven. Op deze foto, genomen aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, ligt de haven vol met schepen die vanwege de zeemijnen en blokkades tijdelijk opgelegd zijn

Feestverlichting ... toen nog wel

Feestverlichting ... toen nog wel

Donkere jaren

Het buitenverblijf Weizigt aan de Spuiweg is op 4 september 1913 feestelijk verlicht ter gelegenheid van de Onafhankelijkheidsfeesten. Zoiets is onmogelijk tijdens de oorlog. Duisternis daalt over Dordrecht. Tot de eerste maatregelen van het gemeentebestuur behoort al in 1914 beperking van de straatverlichting.

Lichten uit

In februari 1917 wordt de verordening op het gebruik van gas en elektriciteit voor winkelverlichting en reclame aangepast. Voortaan is het verboden om voor reclame en in winkeletalages gas of elektriciteit te gebruiken. In de winkels zelf mag dat maar tot een lichtsterkte die vergelijkbaar is met vier kaarsen per vierkante meter. Een nieuw artikel bepaalt dat cafés, hotels, schouwburgen en concertgebouwen na 17.00 uur ’s middags nog slechts zoveel lampen mogen aandoen als naar het oordeel van den burgemeester noodig is om een voldoende verlichting te verzekeren.

Etalage van slagerij Van Wel aan het Bagijnhof in de periode tussen de wereldoorlogen.

Etalage van slagerij Van Wel aan het Bagijnhof in de periode tussen de wereldoorlogen

Een transportbuis voor steenkool bij de gasfabriek, circa 1920

Kolen of gruis?

Ook kolen moeten van buiten Dordrecht worden aangevoerd. De distributie verloopt moeizaam. Caféhouder P. de Smit klaagt in de Dordrechtsche Courant dat er voortdurend beknibbeld wordt op de hoeveelheid die hij nodig heeft om zijn zaak te verwarmen. En de kwaliteit van de kolen? Meer gruis dan stukken.

Gasrantsoen

De gasleidingen liggen er, maar komt er ook wat doorheen? De vraag is, ondanks voortdurende prijsverhogingen, voortdurend groter dan de mogelijkheid daarin te voorzien. In 1918 verordent het gemeentebestuur dat overschrijding van het gasrantsoen niet meer met geld kan worden gecompenseerd. Voortaan gaat het meerverbruik af van het rantsoen van de daaropvolgende maand. Heeft daarna overschrijding van het verminderd rantsoen plaats, dan volgt schorsing der gaslevering.

Het leggen van een gas- en waterzinker door het Wantij, 1911
Petroleumboer met hondenkar op de Nieuwe Haven, gezien naar het Blauwpoortsplein, ca. 1930

Petroleumboer met hondenkar op de Nieuwe Haven, gezien naar het Blauwpoortsplein, circa 1930

Subsidie

De subsidiekraan staat wijd open. Een aanzienlijk deel van de gas- en elektriciteitsprijs komt ten laste van de gemeentebegroting. Ook petroleum wordt zwaar gesubsidieerd: in 1917 betaalt de gemeente 19 van de 25 cent van de verkoopprijs per liter. Om de schulden niet al te hoog te laten oplopen, worden de prijzen telkens naar boven bijgesteld – tot wanhoop van bevolking en bedrijven. De weerslag in de gemeenteraad blijft niet uit. Als het gemeentebestuur in november 1917 de verhouding tussen kostprijs en subsidie van gas, elektriciteit en petroleum wat meer in balans wil brengen, probeert een groot deel van de raad daar een stokje voor te steken. Tot tweemaal toe staken de stemmen, zodat burgemeester en wethouders toch hun zin krijgen.

'Nieuwe industrie'. Spot? Dan in ieder geval met een serieuze ondertoon. Brandstof is moeilijk te krijgen. Zijn er misschien alternatieven? Een surrogaat van turf wordt modder. In de Alblasserwaard halen mannen dit uit de sloten en laten het drogen in dit soort bassins. Eenmaal opgedroogd steken zij er turf van. Als regionaal centrum zal ook Dordrecht er van hebben geprofiteerd.

Couponboekje in het kader van de Distributiewet

Opperkoopman

De regering wordt in de loop van de oorlog een soort ‘opperkoopman’ en ‘voedselregelaar’. Zij neemt graan en aardappelen in beslag om ze vervolgens te verdelen over de gemeenten die daarvoor in 1915 een distributiesysteem opzetten. In eerste instantie is het doel daarvan prijsopdrijving tegen te gaan. De Distributiewet van augustus 1916 is vooral gericht op de rantsoenering van de schaarser wordende voorraden. Om de distributie te kunnen controleren wordt transport van meer dan 10 kilo aardappelen verboden. Alleen moestuintjes tot 5 are groot vallen buiten de regelgeving. Om de eigenaars niet te bevoordelen boven anderen moeten zij echter gegevens verstrekken over de opbrengst van hun volkstuintjes.

De organisator

Verantwoordelijk wethouder voor de distributie wordt in 1917 de kleurrijke figuur van Matthijs van Zanten (1850-1928), vanaf 1906 liberaal raadslid. In het dagelijks leven is hij directeur van distilleerderij De Hoop in de Wijnstraat. In zijn vrije tijd is hij onder meer actief als amateurzanger, toneelspeler en -schrijver. Het organisatorisch talent van den leider is schitterend gebleken, roemt de Dordrechtsche Courant begin 1918. Onder zijn leiding gevoelen wij ons veilig; zoolang de heer van Zanten distribueert, zullen we hier geen honger lijden.  Niet bij ieder geniet hij evenveel waardering. In de volksmond heet hij ook wel ‘de Dordtsche voedseldictator’. In het laatste oorlogsjaar worden de mogelijkheden en manoeuvreerruimte van Van Zanten steeds beperkter.

Matthijs van Zanten

'Het brood van de Coöperatieve Bakkerij ‘Vooruit’ heeft de grootste voedingswaarde', aldus een reclame kort voor de oorlog. Geen bakker durft zoiets tijdens de oorlog nog aan. Ook in Dordrecht wordt vanaf eind 1914 'noodbrood' gebakken, samengesteld uit 30 procent tarwebloem, 30 procent rijstmeel en 40 procent tarwemeel. Later komt er 'regeeringsbrood'. Een oud-ambtenaar van het ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel typeert het broodrantsoen in de zomer van 1918 later als 'te klein om te leven en te groot om te sterven'.

Leven op de bon

Elke gemeente drukt bonnenboekjes. E zijn bonnen voor aardappelen, peulvruchten, suiker, rijst, thee en koffie, later ook voor schoeisel en kleding. Uit deze tijd dateert ook de naam eenheidsworst. Slagers mochten niet meer allerlei soorten vlees verkopen. In plaats daarvan moesten ze al dat vlees door de gehaktmolen draaien met als resultaat dat iedereen hetzelfde kreeg. Het is omstreden of de eenheidsworst op grote schaal in de handel is gekomen.

Een bon voor zeep, een bon uien,
Aardappelen en verse vis,
Steenkolen en bruine bonen,
Voor zover … voorradig is.
S
poedig krijg je ook nog bonnen
Voor sigaretten en voor bier.
En je moet een bon meebrengen
Bij de meisjes van plezier.

Straatlied uit de Eerste Wereldoorlog

Papierwinkel

De opzet van het distributiestelsel vereist een omvangrijke administratie. Hier bestelt de gemeente duizenden formulieren voor het distributiewerk van de Brandstoffencommissie.

Wachtrijen

Bij distributielokalen kunnen inwoners levensmiddelen ophalen. Hier wacht een groep mensen bij het slachthuis aan de Markettenweg om vlees in te kunnen slaan, circa 1916. Veel mensen ervaren wat het betekent om afhankelijk te zijn. Het gedrag van het distributiepersoneel leidt nogal eens tot frustratie en ergernis.

Wachtrijen

Een nieuwe ziekte: de febris distribuitis

Voordat de ziekte zich openbaart, lijdt de patiënt aan apathie, werkloosheid, luiheid en gemakzucht. Sommigen vertoonen zelfs drankzucht en neiging tot ongebondenheid. Zoodra zij een baantje bij de distributie hebben, zijn de verschijnselen der ziekte ruwheid, drift, kortaffe beslissingen, een sterke neiging tot aanblaffen en afsnauwen en vooral het maken van veel vergissingen, fouten en het bestaan van stommiteiten. Algemeen verschijnsel: nooit ongelijk bekennen.

Dordrechtsche Courant, 22 december 1917

Soepuitdeling

Al vanaf 1800 is in Dordrecht de Rumfordsche Soepuitdeeling actief door vier keer per week een voedzame en gezonde maaltijdsoep beschikbaar te stellen. In 1917 neemt de Centrale Keuken de kookinrichting van de Rumfordsche Soepuitdeeling in gebruik. Voortaan verkoopt het comité bonboekjes aan ‘meer gegoeden’ die kunnen worden uitgereikt aan ‘on- en minvermogenden’. Deze soepkaarten geven recht op een aantal porties uit de Centrale Keuken. De kwaliteit laat te wensen over. Volgens de commissie is dat hoofdzakelijk te wijten aan de tijdsomstandigheden, waardoor geen goede ingrediënten zijn te krijgen. De exploitatie van de Centrale Keuken is niet kostendekkend. Meermalen verleent de gemeenteraad extra krediet.

Soepkokerij in het hoekpand Korte Nieuwstraat-Vest, waar de Rumfordsche Soepuitdeeling van 1904-1931 was gevestigd

Soepkokerij in het hoekpand Korte Nieuwstraat-Vest, waar de Rumfordsche Soepuitdeeling van 1904-1931 was gevestigd

Waarde stadgenooten, en vooral gij, vrouwen, zet nu eens alle vooroordeel op zijde, begrijpt de noodzakelijkheid en het nut, in dezen tijd, van een dergelijke voedselvoorziening, neemt een proef met de maaltijden, die wij zullen verstrekken.

Krantenadvertentie

Centrale Keuken

Géén liefdadigheid of bedeling. De commissie voor de Centrale Keuken kan moeilijk voldoende woorden vinden om te benadrukken dat haar initiatief niets te maken heeft met armenzorg. Deelnemers aan de Centrale Keuken krijgen goed toebereide, smakelijke maaltijden tegen kostprijs. Doel is de bevordering van efficiency. De oprichting van de Centrale Keuken in Dordrecht is in 1917 onderdeel van een landelijke trend. In veel steden is het niet alleen moeilijk aan voedsel te komen, maar vooral ook aan brandstof. Daarom wordt centrale bereiding van maaltijden het parool. De commissie voorziet dat het niet gemakkelijk zal zijn de Dordtse keukenprinsessen achter het aanrecht vandaan te krijgen. Zij lokt met concrete recepten, afhaalpunten in elke buurt en de belofte van korte wachttijden. Zondags draait de keuken niet, zodat de vrouwen hun vaardigheden niet zullen kwijtraken. De belangstelling blijkt veel groter dan de organisatoren durven denken: de Centrale Keuken moet zo’n 9.000 porties per dag maken.

 

Wie thans nog fijnproever of smulgraag wil wezen, moet geducht van duimkruid [geld] voorzien zijn.

 

Aardappelwasmachine

Massamaaltijdbereiding is een vak apart. Uitvinders steken hun creatieve energie niet alleen in de ontwikkeling van nieuw oorlogstuig. Als overal in het land centrale keukens worden ingericht, zien de Amsterdamse ingenieurs Dré en Glinderman een markt voor machines voor het automatisch wasschen van aardappelen. Schillen en pitten blijft wel handwerk … Ook het gemeentebestuur van Dordrecht krijgt in 1917 het aanbod om deze werktuigen aan te schaffen. Een bijgeleverde tekening moet de aantrekkingskracht verhogen.

Theodoor Stoop

Sociale zaken

Alle extra organisatie leidt tot uitbreiding van het ambtenarenapparaat. In 1917 wordt ook een vierde wethouder aangesteld. Takenpakket: sociale zaken en armwezen. Voor de eerste keer krijgt de SDAP een vertegenwoordiger in het gemeentebestuur. Dr. Theodoor Stoop (1861-1933), raadslid vanaf 1901, kan zijn socialistische idealen handen en voeten gaan geven. Hoewel de financiële marges smal zijn, verdubbelen de uitgaven aan armenzorg tijdens de oorlogsjaren. Grote bedragen zijn nodig voor kredietverlening aan op zichzelf gezonde bedrijven die door de oorlogsomstandigheden dreigen om te vallen, de distributie, wachtgeldregelingen en het plaatselijke Steun-Comité. Tijdens de oorlog sluit de gemeente meerdere miljoenenleningen af. Jarenlange rente- en afbetalingen zijn het gevolg.

Ongevraagd advies

‘Behoeftige gezinnen’ zijn niet uitsluitend aangewezen op de armenzorg. Nadat ’s lands verdedigers voldoende hebben gegeten, wordt het overgeschoten voedsel bij de pontonnierskazerne aan de Buitenwalevest ’s middags uitgedeeld. Als de Armenraad constateert dat daar vaak jonge vrouwen en kinderen bij zijn, adviseert dit orgaan in 1918 de commandant te overwegen of de uitdeeling niet op andere wijze kon geschieden, zóó dat bedoelde jonge vrouwen en kinderen daarbij niet tegenwoordig waren. De motivatie wordt aan het inlevingsvermogen van de militair overgelaten. Deze burgerlijke subtiliteit slaat niet aan. Genoemde commandant was van meening, dat hij geen wijziging behoefde aan te brengen in den bestaanden toestand.

Hoofdbureau van politie aan de Groenmarkt

Hoofdbureau van Politie aan de Groenmarkt

Stijgende criminaliteit

De honger verflauwt bij een toenemend aantal mensen het zicht op mijn en dijn. Tussen 1913 en 1918 verdrievoudigt het aantal gerapporteerde diefstallen. Velen overtreden ook de distributiewetten van de overheid. Extra politiemensen moeten toezicht houden op de naleving daarvan.

Gesjoemel

Het Oude Testament hekelt al ‘een bedrieglijke weegschaal’: sjoemelen met gewichten en maten. Ook tijdens de oorlogsjaren is de verleiding groot. Het Dordtse gemeentebestuur scherpt in 1917 de verordening op het toezicht van het gewicht van het brood aan.

Kop van De Volksstem van 16 juni 1917

Kindervoeding

De gemeenteraad verleent vanaf 1915 het ene na het andere krediet aan de Comités voor kindervoeding en voor kinderkleeding. In 1916 verzoekt de afdeling Dordrecht van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers de gemeente voortaan volledig garant te staan voor kleding en voeding van schoolkinderen. Een hongerige maag leert niet graag, is het motief. Het gemeentebestuur wijst dit verzoek af, omdat volgens een dergelijke redenering de gemeente ook zou moeten zorgen voor een goed humeur. Eind mei 1917 doet het gerucht de ronde dat de kindervoeding wordt stopgezet. De Volksstem reageert fel. Na herhaaldelijke schiftingen zijn er van de 1300 kinderen nog 700 over, het wekelijkse aantal maaltijden is al ingekrompen van zes naar drie – en nog is de weelde te groot? We vragen ons angstvallig af: wat zou bij die edele dames en heeren van de Commissie zitten op de plaats waar bij een ander ’t hart zit?

Protestbetoging

Over protesten tegen de hoge voedselprijzen melden de politieverslagen niets, stelt de Geschiedenis van Dordrecht. De krant doet dat wel. Op zondagmiddag 23 september 1917 stromen de straten vol met duizenden betogers en belangstellenden uit de hele regio. De Internationale en de Marseillaise overstemmen het psalmgezang van de kerkgangers. Het was te doen om den eisch der arbeidersbeweging, om meer brood en rantsoeneering van alle levensmiddelen, tot machtige uitdrukking te laten komen […]. Nog nooit hebben we binnen Dordrechts veste een zoo machtige betooging gezien als gisteren! In de eerstvolgende raadsvergadering betreurt J. Flach dat de burgemeester toestemming heeft gegeven voor ‘dergelijke revolutionaire propaganda’.

De Grotekerksbuurt, verzamelpunt voor de betoging van 23 september 1917

Sleepboot Sophie, ca. 1910-1920

Sleepboot 'Sophie', circa 1910-1920

Sleepboten

Als knooppunt van waterwegen is Dordrecht de thuishaven van veel sleepboten. Deze stoomschepen zijn zeer gewild bij de Duitsers. Ze maken immers grootschalige transporten over de binnenwateren mogelijk. Vanwege de onrustbarende uitvoer van sleepboten naar Duitsland en het bezette België stelt de regering in de loop van 1917 beperkende maatregelen in. Met reden: op 1 januari van dat jaar zijn er nog 157 sleepboten in Dordrecht gestationeerd, een half jaar later zijn dat er al 40 minder. Binnen de grenzen heerst er door alle beperkingen malaise in de binnenvaart.

Smokkel of spionage?

Schaarste leidt tot het ontstaan van een zwarte markt. De aanvoer daarvoor verloopt niet via de gewone handelskanalen. Op 19 maart 1917 nemen de Duitsers in Gent de sleepboot ‘Cor’ van de Dordtse N.V. Gebr. Bos in beslag. Het schip arriveert na enkele weken weer in de thuishaven, maar voor kapitein Arie Hougee (1872-1917), woonachtig aan de Wijnstraat, staat de zaak er slecht voor. Is hij een gewone smokkelaar? Of een spion? Sluist hij brieven en rapporten door naar de geallieerden via het neutrale Nederland? De Duitsers rollen een compleet spionagenetwerk op en vinden voldoende bewijzen. Een verzoek aan de Duitse keizer om gratie wordt niet ingewilligd. Hougee sterft voor het vuurpeloton op 19 december 1917 bij Wahn te Keulen, waar hij ook zijn laatste rustplaats krijgt.

Arie Hougee (foto en tips met dank aan dhr. W. van den Heerik)

Arie Hougee (foto en tips met dank aan W. van den Heerik)

Neutraal wat is dat?

Nederland was neutraal in de Eerste Wereldoorlog. Een reden om neutraal te blijven was de angst om mogelijk de koloniën te verliezen. En zonder koloniën zou Nederland zijn welvaart kwijtraken.

Neutraliteit was dus de veiligste optie, maar dat kon alleen als die positie door de oorlogvoerende landen – Engeland en Duitsland – gerespecteerd werd. Ter vergelijking: België was ook neutraal, maar daar liep het toch heel anders af. België’s neutraliteit werd geschonden, omdat een Duitse aanval op de goed bewaakte Duits-Franse grens voor Duitsland te veel verliezen zou betekenen. Daarom werd er gekozen voor een aanval via Belgisch grondgebied. Duitsland vond dat zijn oorlogsbelangen boven de neutraliteit van België gingen.

Maar in het geval van Nederland waren Engeland en Duitsland juist gebaat bij Nederlandse neutraliteit. Engeland hoefde niet te vrezen voor aanvallen vanaf de Nederlandse Noordzeekust en Duitsland beschikte toch over een aanvoerkanaal (via Rotterdam), nadat de Britten de Duitse wateren hadden geblokkeerd. In de praktijk betekende dit voor Nederland dat men constant bezig was om de grenzen van die neutraliteit af te tasten. Wat kon nog wel en wat kon absoluut niet.

 

Geïnterneerden

Die neutraliteit betekende ook dat er niet alleen vluchtelingen, maar ook soldaten van de oorlogvoerende landen al dan niet per ongeluk de grens overstaken. Allemaal werden zij geïnterneerd. Hoewel dat ‘interneren’ er verschillend uit kon zien. Hogere rangen mochten op hun erewoord gewoon vrij rondlopen en werden ondergebracht bij particulieren, terwijl de lagere rangen in kampen werden ondergebracht. Zo werden de meest vluchtgevaarlijke soldaten geïnterneerd op het eiland Urk, en kon de Duitse vliegenier Bode lekker in de tuin van Arie Rijsdijk in Hendrik-Ido-Ambacht relaxen en zelfs bezoek van zijn ouders ontvangen.

Vrijwilligers

Bij het uitbreken van de oorlog verwachtten alle partijen dat het klusje voor Kerstmis wel geklaard zou zijn. In Duitsland, Oostenrijk, Engeland en Frankrijk bracht de uitbraak van de oorlog bij sommigen zelfs enig enthousiasme teweeg. Dit oplaaiend patriottisme kwam de verschillende overheden prima uit, want een gezamenlijke vijand buiten de eigen grenzen maakte de kans op een revolutie erbinnen aanzienlijk kleiner.

Jonge mannen meldden zich massaal aan om in het leger te dienen. Maar bij ons liep het anders. Nederland bleef neutraal, weliswaar werd het leger gemobiliseerd, maar gevochten werd er niet; behalve tegen de verveling. Jonge mannen en vrouwen die ‘iets wilden doen’ trokken zelf naar de oorlogsgebieden, of het nu ging om een zucht naar avontuur of om een innerlijke noodzaak te willen helpen. Jonge meisjes gingen naar België om ‘die arme jongens’ te verplegen. Voor mannen lag dat iets ingewikkelder, aangezien het bij wet verboden was om in vreemde krijgsdienst te gaan. Deed iemand dit toch dan werd hem het Nederlanderschap afgenomen.

Na een oproep van de Engelse oprichter van de padvinderij, Baden Powell, aan zijn ‘scouts’ om voor hun vaderland te doen wat ze konden, voelden Nederlandse padvinders zich kennelijk ook aangesproken. En zo vertrok een groepje vrienden, waaronder Bram Sandbergen, richting België. Zijn verhaal volgt hieronder.

Bram's barre tocht

In een brief naar huis schrijft de jonge Bram Sandbergen, een broer van Geertrui Jorissen- Sandbergen, over zijn tocht naar België. Zijn verhaal toont de overmoed waarmee jongeren naar het oorlogsgebied afreisden. Het is een wonder dat hij die dagen overleefde (hoewel hij aan die tocht een longontsteking overhield die hem uiteindelijk fataal zou worden). Aangemoedigd door de oproep van Baden Powell gaat Bram met vrienden van de padvinderij op weg naar België. Op 22 augustus 1914 schrijft Bram dat hij (waarschijnlijk vanuit Amsterdam – red.) naar Ede reisde. Herkenbaar aan zijn padvindersuniform, kreeg hij toestemming om in de kazerne te overnachten, nota bene in het slaapvertrek van officieren. Hij kreeg bij aankomst zelfs nog een broodje met spiegeleieren en een glas wijn. De volgende dag reisde hij verder naar Maastricht waar hij tegen de avond aankwam, onder oorverdovend kanongebulder. De grond dreunde en de ramen rinkelden. Het leek wel alsof er den helen tijd zware bierkarren of zoiets door de straten rolden.

Vanuit Maastricht was de vlammenzee in Visé te zien. Die avond vinden hij en zijn reisgenoot onderdak bij het Rode Kruis om ‘s ochtends vroeg hun reis richting Visé te vervolgen. Maar zo ver kwamen ze niet.

Oorlogsschade in Mouland

Al in Moelingen/Mouland hoorden ze: Handen op! Een groepje Ulanen (soldaten te paard) die wilden weten wat ze kwamen doen, hield hen onder schot. Ze werden gefouilleerd, tot op mijn bloote boddy toe. De smoes dat ze een Duits meisje zochten dat was verdwaald, vonden de soldaten blijkbaar aannemelijk en dus mochten ze verder.

Ze liepen door Mouland waar alle huizen in brand stonden, waardoor ze bijna verschroeiden. Ze waren er ook getuige van een executie. Onderweg zagen ze dronken soldaten met hun vinger aan de trekker van hun geweer. Ook de Ulanen met hun bontmutsen met daarop het embleem van een doodskop, hun hoge laarzen en zwaarden zagen er angstaanjagend uit. In Visé was het hetzelfde: brandende huizen, rottende kadavers en de bevolking gevlucht.

Bij het verlaten van Visé werden ze opnieuw aangehouden, ditmaal omdat men hen ervan verdacht spionnen te zijn. Wij werden zonder meer tegen een boom aangezet en ik kreeg vier geweerlopen op mijn gezicht gericht. De Duitsers besloten hen mee te nemen naar hun kampement in Lieks. Daar werden ze afgezonderd en een uur of drie onder schot gehouden. Een luitenant-generaal besloot na inspectie van hun papieren, dat ze onder begeleiding (twee soldaten met bajonetten) de grens zouden worden overgezet, terug naar Nederland. De volgende dag gaat Bram gewoon weer op weg, nu naar Luik en Tongeren. Tongeren heeft hij echter niet kunnen bereiken, omdat de Duitsers hem opnieuw terugzonden.

Het is opvallend hoe onderkoeld hij alles beschrijft. De brief eindigt met een verzoek van zijn reisgenoot om een rekening te betalen en excuses van Bram over zijn slordige handschrift.

Uiteindelijk is dit avontuur hem toch fataal geworden. Hij en zijn vrienden kwamen allemaal ziek terug naar Nederland, alleen Bram was er zo slecht aan toe dat hij uiteindelijk aan natte pleuritis overleed. Een zeer pijnlijk einde.

Kindverpleegsters

Pieter Jorissen: Ongelofelijk hoe de jeugd op deze oorlog vanaf dag één insprong om de Belgen te helpen. Mijn grootmoeder, Helena van Twist, ging met haar vriendinnen ook die eerste week in augustus 1914 direct als verpleegster naar België. Zij waren toen 15 jaar oud. Ze hebben daar de meest gruwelijke dingen meegemaakt, maar spraken daar nooit over. Alleen maar hoe mooi het was dat ze de arme Belgische jongens hadden kunnen helpen.

Na de oorlog kreeg zij een oorkonde van de koning van België, als dank voor haar diensten.

De ‘Prudentia’

In de Dordrechtsche Courant van 23 oktober 1914 staat een opmerkelijke oproep. Het stuk begint als volgt: ‘t Is zoo prettig voor ons, Dordtse gemobiliseerden, die nu al drie maanden van honk zijn, te ervaren dat de stad onzer inwoning ons niet vergeet.

De gemobiliseerde manschappen uit Dordrecht zijn na enige omzwervingen op een plek aangekomen waar ze voorlopig zullen verblijven, de schrijver verklapt niet waar dat precies is, waarschijnlijk was het niet de bedoeling dat die locaties bekend werden. Over het eten, een onderdeel van het soldatenleven waar doorgaans veel over te klagen valt, hebben ze alleen maar lof; zij noemen het keukenpersoneel zelfs gekscherend ‘Hotel Ponsen’. Bovendien blijken Dordtse bedrijven hun jongens niet vergeten te zijn; ze zijn gulle gevers als het gaat om sigaretten, bier en etenswaren. Maar, zo verzucht de schrijver: Als we maar een plaatsje konden vinden waar wij Dordtse mannen ‘s avonds bij elkaar konden zitten. Daar komt de aap uit de mouw: verveling is hun grootste vijand.

Maar Arie Rijsdijk, dezelfde die de Dordtse afdeling van het MVVW initieerde, heeft ook aan deze groep gemobiliseerde mannen gedacht. Hij biedt ze het binnenschip ‘Prudentia’ aan als recreatieruimte. Er moet alleen nog wel voor een paar honderd gulden aan opgeknapt worden om het als recreatieruimte geschikt te maken en daarvoor doet de schrijver van het stuk een oproep aan de lezers van de krant.

Voor het beschikbaar stellen van het schip kreeg Arie Rijsdijk het Witte Mobilisatiekruis uitgereikt. De onderscheiding werd bedacht als blijk van erkenning voor personen, verenigingen, besturen en commissies die zich van 1914-1918 vrijwillig en belangeloos bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de gemobiliseerden.

 

Het Motor- Vaar- en Voerwezen

Eerst even een stapje terug in de tijd, naar 1907. In juli van dat jaar viel het besluit om de schutterij, een netwerk van vrijwilligers dat ingezet kon worden om de orde te handhaven en het land te verdedigen, op te heffen. De Nederlandse overheid dacht het wel af te kunnen zonder. Met de toenemende oorlogsdreiging kreeg men daar al snel spijt van. Dit leidde ertoe dat Colijn, destijds minister van Oorlog, in maart 1913 een nieuwe Legerwet uitvaardigde. Al een jaar later, bij het uitbreken van de oorlog, werd de Vrijwillige Landstorm opgericht. Deze militaire eenheid werd gevormd, omdat zich veel vrijwilligers meldden die Nederland wilden helpen beschermen, mocht Nederland bij de oorlog betrokken raken. Het Motor- Vaar- en Voerwezen, afdeling Dordrecht was een onderdeel van die eenheid.

 

Een van de initiatiefnemers van deze afdeling was Arij Rijsdijk, de grootvader van Pieter Jorissen en de vader van Jan Rijsdijk. Rijsdijk en een groepje andere vaders sloegen hiermee twee vliegen in één klap; hun zonen bleven dicht bij huis, terwijl zij toch gehoor gaven aan de mobilisatie. Rijsdijk stelde een sleepboot beschikbaar en bij de scheepswerf Hoebée werd er een stuk geschut van de pontonniers op gemonteerd.

 

Wim van Twist (links) en Piet Harthoorn (rechts), leden van het MVVW op het patrouillevaartuig

'De drie musketiers' zoals ze zich noemden, links Hans Uhl, in het midden ene Ulrich, voornaam onbekend en rechts Jan Rijsdijk, de zoon van de initiatiefnemer Arie Rijsdijk. Hier geen slechtpassende uniformen, maar keurige smokings

De sfeer laat zich raden, het waren immers jonge jongens, voor wie de beschikbare uniformen soms een paar maten te groot waren. Het enthousiasme van jongens om mee te doen was zo groot dat sommigen al op hun veertiende jaar meevoeren. Wat dat uniform betreft: in het landelijk reglement staat dat vrijwilligers olijfgroen of in burger met oranje armband waarop het rijkswapen moesten dragen.

 

De overwinnaars bijeen in de Spiegelzaal van het paleis voor het opstellen van de Vrede van Versailles die een basis legde voor de Tweede Wereldoorlog

De nasleep

Met de wapenstilstand van november 1918 kwam er een eind aan de Eerste Wereldoorlog. Wel moesten er nog wat losse eindjes aan elkaar worden geknoopt, zoals krijgsgevangenen repatriëren. Verder konden vluchtelingen weer vertrekken en gemobiliseerde mannen weer huiswaarts keren. De terugkerende gemobiliseerden leefden in de veronderstelling dat ze thuis gewoon weer aan het werk konden bij hun vroegere werkgever. Maar zo vanzelfsprekend was dat niet. In hun afwezigheid had een ander die baan gekregen en gedane beloftes ten spijt, hadden de soldaten het nakijken.

En zo ontstond een nieuwe categorie slachtoffers: mobilisatieslachtoffers. Zelfs in 1925 behandelt de Armenraad te Dordrecht nog verzoeken om steun van mannen die menen mobilisatieslachtoffer te zijn. De opstelling van de Armenraad ten opzichte van deze groep zou omschreven kunnen worden als ‘streng doch rechtvaardig’.

Zo wordt over aanvrager L., gehuwd met twee kinderen, het volgende gemeld:  Toegegeven dat een barbier, als zijnde de ‘motorische kracht’ in zijn zaken, door opkomst onder de wapenen wel zeer gedupeerd wordt, zie ik L. toch meer een slachtoffer van zijn neiging om zich niet druk te maken. Eenige maanden geleden is L. de werklozensteun ontnomen. Hierdoor werd hij meer aangezet werk te zoeken en deze poging werd met goeden uitslag bekroond. Voor steun is daardoor thans geen reden.

Over die rechtvaardigheid oordeelden de slachtoffers wel anders. Dat verklaart misschien de lauwe receptie van het plan van de overheid om een Nationale Mobilisatieherdenking te organiseren. Bij deze gelegenheid zou ook het Mobilisatiekruis 1914-1918 worden uitgereikt. Het kruis was door het Nationaal Comité Herdenking Mobilisatie 1914 op 1 augustus 1924 ingesteld en in een Legerorder van 1924 kregen militairen toestemming om het kruis, en de baton, op het uniform te dragen. Addertje onder het gras: de onderscheiding werd na inzamelingen uitgereikt en soms moest het worden gekocht. Het bronzen kruisje kostte met lint ƒ 0,46, een kartonnen doosje 6 cent extra en een kruis met lint in een luxe doosje kostte ƒ 0,56.

In veel Europese landen is de Grote Oorlog nog steeds een begrip en wordt nog jaarlijks met veel ceremonie herdacht

De overheid hoopte met deze herdenking het nationale gevoel aan te wakkeren en daarmee de sociale onrust onder het volk de kop in te drukken. In opdracht van het Provinciale Herdenkingscomité deed het plaatselijke herdenkingscomité in Dordrecht een uitnodiging uitgaan voor een eerste vergadering. Van de genodigden waren er veel verhinderd, en van degenen die wel kwamen, waren de reacties afwachtend. Een herdenking kun je niet opdringen, zo blijkt.

Meer musea in Dordrecht ontdekken?

Voor actuele tentoonstellingen & praktische informatie